Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kelpmeeuw
Kelpmeeuw | Larus dominicanus
Kelp Gull | Gaviota dominicana
De kelpmeeuw is de grote zwartrugmeeuw van het zuidelijk halfrond: van Patagonië tot Zuid-Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland en de kust van Antarctica is hij de gewoonste grote meeuw die er is. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast, met één uitzondering — tussen 1989 en de jaren negentig broedde een handvol paren op de Chandeleur-eilanden voor Louisiana, waar ze met Amerikaanse zilvermeeuwen kruisten. Hij is de enige meeuw aan de Atlantische en Golfkust met een zwarte rug én groengele poten.
Geluid
Een schel, hard kie-och is de bekendste roep, korter en scherper dan het geblaf van de grote mantelmeeuw. De lange roep is een diepe, ver dragende reeks lachende noten, met de kop eerst laag en dan ver achterover; in een kolonie beantwoorden tientallen vogels elkaar tegelijk. Bij het nest klinkt een kort nasaal alarm, en tussen partners een zacht mauwen. Wie hem in Noord-Amerika ziet, zal hem vrijwel zeker niet horen: het gaat om enkelingen tussen zwijgende meeuwentroepen.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · Cape Town, Cape Town, Western Cape, South Africa · xeno-canto
Herkenning
Een grote meeuw met een zwarte mantel en bovenvleugel, een witte kop die ook in de winter vrijwel ongestreept blijft, en een zware gele snavel met een grote rode vlek die vaak doorloopt tot op de bovensnavel. De poten zijn groengeel, bij broedvogels het helderst, en het oog is meestal donker, bij sommige vogels bleek of grijzig, met een rode oogring. De vleugelpunt is bijna geheel zwart: er staat maar één kleine spiegel op de buitenste handpen, en op de vijfde handpen ligt een volle zwarte band. Jonge vogels zijn grijsbruin met een donkere snavel en een brede zwarte staartband, en doen er drie tot vier jaar over. In silhouet zijn de kop wat platter en de snavel forser dan bij een Amerikaanse zilvermeeuw van vergelijkbaar formaat.
Verwarringssoorten
De grote mantelmeeuw (Larus marinus) is de vogel waar hij in het oosten tussen staat: even zwart op de rug, maar veel groter en zwaarder, met roze poten, een bleek oog en veel meer wit in de vleugelpunt — een grote spiegel op de negende handpen tegenover het speldenknoopje van de kelpmeeuw. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) heeft ook gele poten, maar is slanker en kleiner, leigrijs in plaats van zwart, en heeft een geel oog. De kamtsjatkameeuw (Larus schistisagus) van de Beringzee is eveneens donker, maar roze van poot. En dan zijn er de Chandeleur-vogels: kruisingen met de Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus), met een mantel die het midden houdt en poten tussen roze en geel in — bij die vogels helpt geen enkel los kenmerk meer.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Op het zuidelijk halfrond een vogel van elke kust die er is: rotskusten, zandstranden, estuaria, vissershavens, en in groten getale op vuilstorten. Broedt op de grond op eilanden en kale kustvlakten, in kolonies of los, met een ondiep nest van wat plantaardig materiaal. De Noord-Amerikaanse broedplaats was van hetzelfde type: lage zandeilanden met schaarse begroeiing, gedeeld met sterns en Amerikaanse zilvermeeuwen. Vogels die hier opduiken worden vrijwel altijd aan de kust gevonden, op een strand of in een haven, en soms landinwaarts aan een groot meer.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat de kusten van Zuid-Amerika, zuidelijk Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland, de subantarctische eilanden, Madagaskar en het Antarctisch Schiereiland — een van de weinige meeuwen met een werkelijk zuidelijke, rondom de pool sluitende verspreiding. Het eerste Amerikaanse geval dateert van 1989, op de Chandeleur-eilanden; daar hield zich tot in de jaren negentig een klein groepje op dat met Amerikaanse zilvermeeuwen broedde, tot orkaan Katrina in 2005 de eilanden grotendeels wegsloeg. Sindsdien zijn er verspreide waarnemingen in Texas, Maryland en Indiana, en sinds 2025 een vogel die in Milwaukee aan het Michiganmeer steeds naar dezelfde plek terugkeert. Op de kaart van deze gids staat alleen Louisiana gekleurd, en dat berust op die ene kolonie.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op hem hier te vinden — reken erop een grote mantelmeeuw of een kruising te zien. Wie toch wil zoeken neemt in oktober en november de zwartrugmeeuwen op een vuilstort of een strand langs de Golfkust één voor één door, en let bij elke vogel op drie dingen tegelijk: pootkleur, oogkleur en de hoeveelheid wit in de vleugelpunt. Een foto van de gespreide vleugel is hier geen luxe maar de enige manier om een geval aanvaard te krijgen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en op veel plaatsen toenemend; alleen al in zuidelijk Afrika gaat het om elfduizend paren. Dat succes heeft een keerzijde: bij Patagonië pikken kelpmeeuwen wonden in de rug van zwemmende zuidkapers, en op zeevogeleilanden eten ze eieren en kuikens van andere soorten. In Noord-Amerika is de soort te zeldzaam om van een staat van instandhouding te spreken.
Wetenschappelijke naam
Larus dominicanus | Lichtenstein, 1823
Martin Hinrich Carl Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Larus dominicanus, de naam die ze nog draagt; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. dominicanus verwijst naar de dominicanen, wier witte habijt met zwarte mantel dezelfde tekening heeft als de vogel. Het beschreven exemplaar kwam van de kust van Brazilië. Er worden vijf ondersoorten onderscheiden, alle op het zuidelijk halfrond, van Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika tot Madagaskar en Antarctica.




