Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Vegameeuw
Vegameeuw | Larus vegae
Vega Gull | Gaviota de Vega
De vegameeuw is de grote witkoppige meeuw van Noordoost-Siberië, die in Noord-Amerika op één plek broedt: St. Lawrence Island in de Beringzee. Hij is de tegenhanger van de amerikaanse zilvermeeuw aan de andere kant van de Beringstraat — een tint donkerder van mantel, feller roze van poot — en werd tot voor kort bij dezelfde soort gerekend.
Geluid
Het stemgeluid is dat van elke grote witkoppige meeuw: janken, mauwen en een kort, klokkend kèk-kèk-kèk. De lange roep begint met de kop laag bij de grond, zwelt aan tot een reeks luide, dalende kreten kjau-kjau-kjau en eindigt met de snavel recht omhoog. Wie op St. Lawrence Island tussen honderden meeuwen staat heeft aan de stem weinig: van de amerikaanse zilvermeeuw is deze soort op geluid niet te scheiden. Bedelende jongen laten een dun, aanhoudend gepiep horen en pikken daarbij naar de rode vlek op de ondersnavel van de ouder.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
De volwassen vogel is wit met een middengrijze mantel, merkbaar donkerder dan die van de amerikaanse zilvermeeuw, en met zwarte vleugelpunten waarin één grote witte spiegel op de buitenste handpen staat. De poten zijn helder tot dieproze, de snavel geel met een rode vlek, en de ring om het oog is rood; de iris loopt van bleekgeel tot vrijwel donker, zodat het oog van dichtbij zelden zo streng oogt als bij de amerikaanse zilvermeeuw. In de winter zijn kop, hals en borst zwaar donker gestreept, met de dichtste tekening als een kraag laag in de hals. Man en vrouw zijn gelijk getekend; het mannetje is groter en zwaarder van kop en snavel. Het volwassen kleed komt pas in het vierde jaar: eerstejaars vogels zijn gelijkmatig donkerbruin met een geheel zwarte snavel, tweede- en derdejaars een rommelige mengeling van bruin en grijs.
Verwarringssoorten
De amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) heeft een lichtere mantel, meestal een bleke iris met een geeloranje oogring, en in de winter een fijner gestreepte kop; in de gespreide vleugel heeft hij meer wit in de punt. De kamtsjatkameeuw (Larus schistisagus) is veel donkerder leigrijs, met een brede witte achterrand en een rij witte vlekken langs de vleugelpunt. De beringmeeuw (Larus glaucescens) heeft vleugelpunten in dezelfde grijstint als de mantel, dus zonder zwart. De kleine burgemeester (Larus glaucoides) is kleiner en zachter van kop, met een korte snavel en veel minder zwart in de punt. Van 1900 tot ver in deze eeuw stond de vegameeuw in de lijsten als vorm van de zilvermeeuw en daarna van de amerikaanse zilvermeeuw; hij wordt nu als eigen soort ingedeeld, maar aan de Beringstraat lopen de kenmerken in elkaar over en blijft menig losse vogel onbenoemd.
Leefgebied
Om te broeden gebruikt hij de lage kust van de arctische zee: grindbanken en rotsige eilandjes in riviermondingen, zandruggen tussen lagunes, en de vlakke toendra vlak achter de vloedlijn. Buiten het broedseizoen is hij een vogel van de kustlijn en niet van de open oceaan — havens, riviermondingen, stranden en visafslagen, in Azië tot midden in de grote havensteden. Op St. Lawrence Island zit hij op de klifjes en grindstranden tussen de alken en de andere meeuwen. Diep landinwaarts komt hij nauwelijks.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in arctisch Siberië van Taimyr oostwaarts tot Tsjoekotka en de Nieuw-Siberische Eilanden, en aan de Amerikaanse kant alleen op St. Lawrence Island in de Beringzee. Het grootste deel van de vogels overwintert langs de rotskusten van Japan, Korea en Oost-China. In Alaska is hij jaarlijks in het westen — bij Gambell op St. Lawrence Island en langs de kust bij Nome — en verder komen er losse waarnemingen uit de Aleoeten en de Pribilofs. Wat er in de laatste eeuw is veranderd, is niet zozeer het areaal als wel de indeling: dezelfde vogels heetten achtereenvolgens zilvermeeuw, amerikaanse zilvermeeuw en vegameeuw.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De zekerste plek is Gambell op St. Lawrence Island, eind mei en in juni, waar hij tussen de kamtsjatkameeuwen en grote burgemeesters op de grindruggen zit; let eerst op de mantelkleur tegen die van de buren, daarna op de rode oogring. Buiten Alaska is elke melding een determinatiekwestie: fotografeer de gespreide vleugel van boven en van onder, want het patroon van zwart en wit in de handpennen is het enige kenmerk waarmee later nog te werken valt. Wintervogels zijn het makkelijkst als het licht van opzij komt en de mantel naast een amerikaanse zilvermeeuw te leggen is.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst beoordeelt de vegameeuw niet afzonderlijk: hij valt daar nog binnen de zilvermeeuwgroep, en deze gids neemt die stand van zaken letterlijk over als 'niet beoordeeld'. De Siberische aantallen worden groot geacht, maar er wordt niet apart geteld, en over de trend is dan ook weinig hards te zeggen. In Noord-Amerika gaat het om één eilandkolonie, waarmee alles wat er op St. Lawrence Island gebeurt meteen het hele Amerikaanse broedbestand raakt.
Wetenschappelijke naam
Larus vegae | Palmén, 1887
Johan Axel Palmén beschreef de vogel in 1887 als Larus argentatus var. vegae, dus als een vorm binnen de zilvermeeuw; omdat het geslacht sindsdien niet is veranderd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. vegae verwijst naar het schip Vega, waarmee Adolf Erik Nordenskiöld in 1878–1880 als eerste de Noordoostelijke Doorvaart bevoer; Palmén bewerkte de vogels van die reis. De typelocatie is Pidlin in Noordoost-Siberië. Deze gids volgt AviList, waarin Larus vegae als eigen soort staat.




