Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Lachmeeuw
Lachmeeuw | Leucophaeus atricilla
Laughing Gull | Gaviota guanaguanare
De lachmeeuw is de meeuw van de warme Amerikaanse kust: middelgroot, met een gitzwarte kap en een lange, licht gebogen rode snavel. Zijn naam komt van de roep, een dalende reeks schaterende noten die over een heel strand draagt. In het noordoosten is hij zomervogel, van de Carolinas zuidwaarts blijft hij het hele jaar.
Geluid
De roep waaraan hij zijn naam dankt is een luide, dalende reeks lachende noten, ha-ha-ha-haah-haah, die drie seconden of langer wordt volgehouden en waarin de hele kolonie kan meegaan. Wie te dicht bij een nest komt krijgt eerst een kort, stotterend alarmgeluid te horen, dat bij aanhoudende dreiging overgaat in langgerekt geschreeuw. Bedelende jongen geven een dun, piepend geluidje, en in een groep boven een visserssteiger klinkt een aanhoudend geroezemoes van korte kreten. Op een strandparkeerplaats of een pier aan de Golfkust is dit meestal de eerste vogelstem die je hoort.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote meeuw met lange, spitse vleugels, lange poten en een betrekkelijk lange snavel die aan het eind iets naar beneden buigt. In zomerkleed draagt hij een gitzwarte kap met scherpe witte sikkels boven en onder het oog, een donkerrode snavel en donkerrode tot zwarte poten; de mantel is middelgrijs en gaat zonder witte scheiding over in de zwarte vleugelpunt. In winterkleed valt de kap uiteen tot een vage grijze schaduw achter het oog op een verder wit hoofd. Man en vrouw zien er gelijk uit. Jonge vogels zijn bruin met een lichter hoofd, witte oogsikkels en een zwarte staartband, en doen er twee tot drie jaar over om het volwassen kleed te krijgen. In de vlucht is hij slank en langvleugelig, met een makkelijke, zeilende slag laag over de branding.
Verwarringssoorten
Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan) is de lastigste: kleiner, korter van snavel en poten, met bredere witte oogsikkels en — beslissend — een witte band die het zwart van de vleugelpunt van het grijs van de vleugel scheidt. Bij de lachmeeuw ontbreekt die band en loopt het grijs zonder onderbreking in het zwart over. Het areaal helpt mee: de lachmeeuw hoort bij de zoute kust, Franklins meeuw broedt in de moerassen van de prairie en komt vooral op trek aan zee. Bonapartes meeuw (Chroicocephalus philadelphia) is veel kleiner, heeft een dun zwart snaveltje en een lichte, doorschijnende voorrand aan de vleugel. Jonge lachmeeuwen worden verward met jonge ringsnavelmeeuwen (Larus delawarensis), die bleker zijn, kortere poten hebben en een dikke, tweekleurige snavel.
Leefgebied
Stranden, zandplaten, kwelders, riviermondingen en lagunes; hij blijft aan de zoute kust en gaat zelden ver het binnenland in. De kolonies liggen op eilandjes in zoutmoeras en op lage zandeilanden, ook op opgespoten grond, en lopen uiteen van een paar nesten tot vijfentwintigduizend paren. Buiten de broedtijd hoort hij bij pieren, vissershavens, boulevards en parkeerplaatsen langs zee, waar hij van afval, aas en weggeworpen vis leeft. Wat hij nodig heeft is ondiep zout water met een strand ernaast; diep open water ver uit de kust mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt langs de Atlantische kust van Maine tot Florida, rond de hele Golf van Mexico tot in Texas en Tamaulipas, verder op de eilanden van de West-Indische archipel en in de Golf van Californië. Ten noorden van Virginia is hij zomervogel; van de Carolinas zuidwaarts blijft hij het hele jaar, en in de winter schuift een deel van de vogels door naar de kusten van Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. In de negentiende eeuw werd hij zwaar bejaagd om eieren en veren en verdween hij vrijwel uit het noordoosten; na de vogelwetgeving van 1918 keerde hij terug en breidde hij zich opnieuw uit tot in Maine. De vuilstorten, visafslagen en opgespoten eilanden die met de kustbebouwing meekwamen hebben hem sindsdien geen kwaad gedaan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en juni op een pier of vissersteiger aan de Golfkust of de zuidelijke Atlantische kust: dan is de kap volledig zwart, de snavel dieprood, en het lachen houdt bijna niet op. Wil je hem van Franklins meeuw scheiden, wacht dan tot hij opvliegt en kijk naar de grens tussen grijs en zwart in de vleugelpunt — bij de lachmeeuw zit daar geen wit tussen.
Staat van instandhouding
De continentale populatie wordt op ruim een half miljoen broedvogels geschat en nam tussen 1966 en 2015 toe. Het herstel na de veren- en eierjacht is daarmee voltooid; plaatselijk is hij zo talrijk geworden dat hij eieren en jongen van sterns rooft en bij sternkolonies actief wordt weggehouden. De belangrijkste bedreigingen zijn nu het verlies van kwelder en laag zandeiland aan kustbebouwing, en verstoring van broedeilanden door recreatie.
Wetenschappelijke naam
Leucophaeus atricilla | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus atricilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1853 ingevoerd door Bruch; de naam is Grieks, van leukos voor wit en phaios voor grauw. atricilla is gevormd uit het Latijnse ater voor zwart en een als 'staart' gelezen cilla, naar de zwarte staartband van de jonge vogel, al is het waarschijnlijk dat Linnaeus 'zwartkopje' bedoelde. Het beschreven exemplaar kwam uit Amerika; de typelocatie is later vastgelegd op de Bahama's, naar de plaat van Catesby waarop Linnaeus zijn beschrijving stoelde.




