Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Franklins meeuw

Franklins meeuw | Leucophaeus pipixcan

Franklin's Gull | Gaviota de Franklin

Franklins meeuw is de meeuw van de prairie: hij broedt in drijvende nesten in binnenlandse moerassen en overwintert aan de Grote Oceaan van Peru en Chili. Van alle meeuwen legt hij de langste jaarlijkse reis af, dwars over de Rocky Mountains heen. Hij is ook de enige meeuw die twee keer per jaar volledig ruit, en daardoor bijna altijd strak in de veren zit.

Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan)
Foto: dbmcc09 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewoonste roep is een kort, scherp kek, dat hij tijdens het foerageren, in de vlucht en op de slaapplaats laat horen. Bij verstoring gaat dat over in een snelle reeks kek-kek-kek, die door een kolonie heen als een golf loopt. De lange roep van het mannetje begint en eindigt met een kort kah en heeft daartussen tot acht langgerekte, hoge kieeah-noten — het geluid waaraan een moeras vol Franklins meeuwen op afstand te herkennen is. Boven een omgeploegde akker vol meeuwen is het geheel een aanhoudend, hoog geknerp.

Luister: RoepXC534303

Opname: Dante Buzzetti — CC BY-NC-SA 4.0 · Puerto Montt city, Llanquihue, Los Lagos, Chile · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortsnavelige meeuw met korte poten en een rond, vriendelijk aandoend kopje. In zomerkleed een zwarte kap met brede witte oogsikkels die bijna een bril vormen, een donkerrode snavel en poten, en witte onderdelen die vaak rozig aanlopen. In winterkleed blijft van de kap een duidelijke donkere halve kap over die kruin, oog en oorstreek bedekt en scherp tegen het witte voorhoofd afsteekt; snavel en poten worden dan zwart. Beslissend is de vleugelpunt: tussen het grijs van de vleugel en het zwart van de punt loopt een witte band, en de zwarte punt zelf draagt witte spiegels. Jonge vogels lijken op de wintervogel maar zijn bruin op de rug en hebben een zwarte staartband, zonder dat witte tussenveld. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd.

Verwarrings­soorten

De lachmeeuw (Leucophaeus atricilla) is de tegenhanger aan de kust: groter, met langere poten, een langere, iets gebogen snavel, en geen witte band tussen grijs en zwart in de vleugelpunt. In winterkleed heeft de lachmeeuw slechts een vage grijze schaduw op een wit hoofd, terwijl Franklins meeuw een scherp begrensde donkere halve kap houdt — dat is in het veld het snelst bruikbare verschil. De kleine kokmeeuw (Chroicocephalus philadelphia) is nog kleiner, heeft een dun zwart snaveltje en een witte wig langs de voorrand van de vleugel in plaats van een donkere kap in de winter. Zwerft er in het najaar een enkeling naar de Atlantische kust, dan zit hij bijna altijd tussen lachmeeuwen, en dan is de halve kap het eerste wat opvalt.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Broedt in ondiepe zoetwatermoerassen van de prairie, met riet, lisdodde en open water ertussen, in kolonies van honderden tot duizenden paren; het nest is een drijvend vlot van natte planten dat het paar de hele broedtijd blijft ophogen. Buiten de kolonie is hij een vogel van open land: pas geploegde akkers, weilanden, stoppelvelden, en de oevers van stuwmeren en waterzuiveringsvijvers. Op trek volgt hij grote rivierdalen en verzamelt hij zich 's avonds met duizenden op ondiep water. In de winter staat hij aan de Zuid-Amerikaanse kust op stranden en in riviermondingen. Gesloten bos en de open zee mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied ligt in de prairiemoerassen van West- en Noord-Alberta oostwaarts tot Zuidwest-Manitoba, en zuidwaarts van oostelijk Oregon tot Noordwest-Minnesota. De hele populatie trekt weg: door de Great Plains, over passen van meer dan vierduizend meter in de Rocky Mountains en langs de kust van Midden-Amerika naar de kusten van Ecuador, Peru en Chili, tot in de Galápagos. Binnen het gidsgebied is hij daarmee bijna overal doortrekker en nergens ten zuiden van het broedgebied wintergast van betekenis. Waar de prairiemoerassen zijn drooggelegd, zijn kolonies verdwenen; waar het water terugkwam, kwamen ze soms binnen enkele jaren terug, want de vogels verplaatsen hun kolonies makkelijk.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in april en mei boven de omgeploegde akkers van Nebraska, Kansas en de Dakota's: dan lopen honderden achter de trekker aan en zijn de rozige onderdelen in laag licht zichtbaar. Aan het eind van de dag vliegen ze in lange linten naar een moeras of stuwmeer om te slapen — daar sta je het best, met de zon in de rug.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 830.000 vogels; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Over de richting van de trend lopen de schattingen uiteen: tellingen in Noord-Amerika wijzen sinds 1968 op afname, terwijl internationale schattingen van de laatste jaren juist toename melden. Dat verschil komt vooral doordat de kolonies van jaar tot jaar verspringen met de waterstand, wat tellen lastig maakt. De vaste bedreigingen zijn drooglegging van moerassen, verstoring van kolonies — de vogels verlaten een kolonie soms in haar geheel — en droogte.

Wetenschappelijke naam

Leucophaeus pipixcan | (Wagler, 1831)

Wagler beschreef de soort in 1831 als Larus pipixcan, naar een exemplaar uit Mexico; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1853 ingevoerd door Bruch, van het Griekse leukos voor wit en phaios voor grauw. pipixcan is een Nahuatl-naam voor een meeuw, overgenomen uit de zestiende-eeuwse Mexicaanse natuurbeschrijving van Hernández. De Engelse en Nederlandse naam eren John Franklin, wiens poolexpeditie van 1825 de eerste exemplaren uit Noord-Amerika meebracht; die werden apart beschreven, maar Waglers naam was ouder en bleef daarom geldig.