Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Japanse meeuw
Japanse meeuw | Larus crassirostris
Black-tailed Gull | Gaviota japonesa
De Japanse meeuw is een Oost-Aziatische kustmeeuw die als enige volwassen meeuw van het gebied een volle zwarte staartband draagt. In Japan heet hij umineko, zeekat, naar zijn miauwende roep. Voor Noord-Amerika is hij een dwaalgast: enkele tientallen waarnemingen, de meeste in Alaska en Brits-Columbia, verspreid over anderhalve eeuw.
Geluid
De roep is nasaal en klaaglijk en klinkt opvallend als het miauwen van een kat — vandaar de Japanse naam umineko, zeekat. Onderzoek aan kolonievogels onderscheidt meer dan tien geluiden: alarmroepen, dreigroepen, contactroepen en een lange roep die met opgeheven kop wordt gegeven. Boven een kolonie van tienduizenden vogels, zoals op Kabushima in noord-Honshu, versmelt dat tot een aanhoudend gejammer dat kilometers ver draagt. In Noord-Amerika hoor je hem vrijwel nooit: de vogels die daar opduiken zijn stille enkelingen in een grote meeuwengroep.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote tot grote, slanke meeuw met lange vleugels en een zware, rechte snavel. De volwassen vogel heeft een donker leigrijze mantel, gele poten, een donker oog met een rode oogring, en een gele snavel met een zwarte band en een rode punt daarachter. Het kenmerk waar het om draait is de staart: een brede, volle zwarte band over een verder witte staart, bij geen enkele andere volwassen meeuw van Noord-Amerika zo. In winterkleed is de kop en de nek fijn bruin gestreept. Jonge vogels zijn eerst egaal donkerbruin met een opvallend bleek gezicht en een roze snavel met scherp afgesneden zwarte punt; het duurt vier jaar voor het volwassen kleed er is.
Verwarringssoorten
De Californische meeuw (Larus californicus) komt het dichtst in de buurt: ook donkergrijze mantel, ook een gele snavel met zwart en rood, maar met een geheel witte staart, geelgroene poten en een donkere oogring in plaats van een rode. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) is nog donkerder van mantel, heeft een geel oog en mist de staartband. De ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) is kleiner en veel lichter grijs, met alleen een zwarte ring om de snavel en een bleek oog. Jonge Japanse meeuwen zijn zo donker dat ze eerder aan een jonge westelijke meeuw (Larus occidentalis) doen denken; let dan op het bleke gezicht en de scherp tweekleurige snavel.
Leefgebied
In het broedgebied een vogel van rotsige eilandjes, kliffen en steile kustranden, waar hij in dichte kolonies op de grond nestelt. Daarbuiten hoort hij bij vissershavens, pieren, riviermondingen en zandstranden, en volgt hij vissersschepen tot ver uit de kust. Hij foerageert vooral op kleine vis en op wat er van de visserij overschiet, en komt ook op vuilstorten. De vogels die Noord-Amerika bereiken worden bijna altijd in een haven of aan een riviermonding gevonden, tussen andere meeuwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt langs de kusten en op de eilandjes van oostelijk Siberië en de Koerilen, op Hokkaido en Honshu, langs het Koreaanse schiereiland en de oostkust van China, en op Matsu bij Taiwan. In de winter schuiven de vogels zuidwaarts, tot in zuidelijk Vietnam en de Filipijnen. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast: de meeste waarnemingen komen uit westelijk en zuidelijk Alaska en uit Brits-Columbia, maar er zijn losse gevallen van kust tot kust, tot in Illinois en Vermont toe. Van sommige van die verre vogels wordt vermoed dat ze een deel van de reis op een schip hebben meegevaren.
Waar en wanneer kijken
Alle Noord-Amerikaanse kans ligt in een meeuwengroep in een haven of aan een riviermonding aan de Pacifische kust, van de late lente tot de nazomer. Kijk naar de staart en niet naar de kop: één brede zwarte band over een witte staart, bij een vogel met een donkere mantel en gele poten, is genoeg. Neem een foto — een dwaalgastmelding wordt in Noord-Amerika zonder beeld zelden aanvaard.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd te boek en is in Oost-Azië plaatselijk zeer talrijk; de kolonie op Kabushima telt ruim veertigduizend vogels en is in Japan als natuurmonument beschermd. Kolonies zijn wel kwetsbaar voor olielozingen, verstoring en ingevoerde ratten, doordat het overgrote deel van de vogels op weinig eilanden broedt. Voor Noord-Amerika heeft de soort geen instandhoudingsbetekenis: er broedt er geen.
Wetenschappelijke naam
Larus crassirostris | Vieillot, 1818
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Larus crassirostris, en omdat ze sindsdien in datzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. crassirostris is Latijn voor dikbek, van crassus voor dik en rostrum voor snavel — bij deze soort een goede waarneming, want de snavel is voor het formaat opvallend zwaar. De typelocatie is Nagasaki in Japan. Vieillot baseerde zijn beschrijving niet op een balg maar op plaat 57 uit het reisverslag van de wereldreis van Krusenstern.




