Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Ringsnavelmeeuw
Ringsnavelmeeuw | Larus delawarensis
Ring-billed Gull | Gaviota de Delaware
De ringsnavelmeeuw is de meeuw die het verst van de zee is doorgedrongen: een middelgrote meeuw met gele poten en een zwarte band rond de snavelpunt, die vandaag de dag net zo vertrouwd is op parkeerterreinen en akkers als aan het strand. Hij broedt in kolonies van duizenden paren op eilanden in binnenmeren en rivieren, ver van zout water. Weinig meeuwen hebben zich zo succesvol aan de mens aangepast.
Geluid
De roep is een reeks scherpe, hoge kjieuw- of kja-kja-kja-tonen, hoger en ijler dan die van de Amerikaanse zilvermeeuw, vaak in koor gegeven boven een broedkolonie of bij een voedselbron. Bedelende jongen laten een aanhoudend, piepend gepiep horen. Bij onraad in de kolonie klinkt een kort, alarmerend geblaf dat honderden vogels tegelijk kan doen opstijgen.
Opname: Tom Cooney — CC BY-NC-SA 4.0 · Baie-du-Febvre, Nicolet-Yamaska, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
De volwassen vogel heeft een witte kop en onderdelen, een lichtgrijze mantel, zwarte vleugelpunten met witte spikkels, gele poten en een gele snavel met een duidelijke zwarte band vlak voor de punt. In winterkleed krijgt de kop een lichte, vlekkerige waas. Eerstejaars vogels zijn bruin gevlekt met roze poten en een roze snavel met zwarte punt; pas na ongeveer drie jaar wordt het volwassen kleed bereikt. Het bleke oog en de relatief slanke bouw onderscheiden hem in elk kleed van zwaardere meeuwen.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse zilvermeeuw is groter en zwaarder, met roze in plaats van gele poten en een rode in plaats van zwarte vlek op de snavel. De prairiemeeuw is eveneens groter, met een donker oog en groenachtige poten. De kleine mantelmeeuw heeft een veel donkerdere, leigrijze mantel en een snavel met een rode in plaats van zwarte vlek.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Hij broedt op kale of laag begroeide eilanden in grote meren, rivieren en reservoirs, en foerageert net zo makkelijk op open water als op parkeerterreinen, akkers, vuilstortplaatsen en langs snelwegbermen. Dichte bebossing en kleine, geïsoleerde poelen zonder menselijke voedselbronnen mijdt hij. Zijn aanpassingsvermogen aan door mensen veranderd landschap is groter dan dat van vrijwel elke andere meeuw.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel in het binnenland van Canada en het noorden van de Verenigde Staten, van Brits-Columbia tot Newfoundland en rond de Grote Meren; overwintert langs de kust en in het binnenland van het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en het Caraïbisch gebied. In de negentiende eeuw sterk gedecimeerd door de vederjacht, is de soort in de twintigste eeuw dankzij bescherming en zijn vermogen om van menselijk afval te profiteren uitgegroeid tot een van de talrijkste meeuwen van het continent.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk niet alleen aan het water: parkeerterreinen van winkelcentra, akkers vlak na het ploegen en vuilstortplaatsen leveren vaak de grootste aantallen op, ver landinwaarts. Check bij elke meeuw eerst de snavel op de zwarte band en de poten op geel — die twee kenmerken samen zijn voldoende voor een zekere determinatie van de volwassen vogel.
Staat van instandhouding
Na bijna te zijn weggevaagd door de vederjacht rond 1900 is de soort sterk toegenomen, telt de populatie nu in de miljoenen en is ze niet bedreigd (LC). Op sommige broedeilanden concurreert hij inmiddels zo sterk met andere kolonievogels om nestplaats dat plaatselijk beheer nodig is om zijn aantallen te beperken.
Wetenschappelijke naam
Larus delawarensis | Ord, 1815
Ord beschreef de soort in 1815 rechtstreeks als Larus delawarensis, in het geslacht Larus dat Linnaeus al in 1758 voor de meeuwen invoerde — auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes, want de soort is nooit van geslacht gewisseld. De soortnaam delawarensis verwijst naar de typelocatie: de Delaware River, net onder Philadelphia. Larus zelf is Oudgrieks voor een meeuwachtige zeevogel, al bij Aristoteles in gebruik.



