Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Heermanns meeuw

Heermanns meeuw | Larus heermanni

Heermann's Gull | Gaviota mexicana

Heermanns meeuw is de enige meeuw van Noord-Amerika met een grijs lijf: donkergrijs boven en onder, met een sneeuwwitte kop en een dieprode snavel met zwarte punt. Bijna de hele wereldpopulatie broedt op één klein eiland in de Golf van Californië. Na het broeden trekt hij niet naar het zuiden maar naar het noorden, langs de Pacifische kust tot in Brits-Columbia.

Heermanns meeuw (Larus heermanni)
Foto: Bernard DUPONT — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is dieper en nasaler dan dat van andere meeuwen en meteen als anders te herkennen. Het gewoonste is een laag auw of auw-ak, in allerlei omstandigheden gegeven, en bij ruzie om voedsel op zee een hoge, schrale kreet. Baltsende mannetjes laten een snelle reeks ah-noten horen die als lachen klinkt; vrouwtjes geven daarbij piepende geluidjes die op het bedelen van jongen lijken. Op een pier in Californië in augustus is het lage auw boven de gewone meeuwenstemmen uit het eerste teken dat hij er is.

Luister: VluchtroepXC534563

Opname: Isain Contreras Rodríguez — CC BY-NC-SA 4.0 · Topolobampo, Ahome, Sinaloa, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote tot grote meeuw, in verhouding langvleugelig en slank van kop. De volwassen vogel is donker leigrijs op rug, vleugels, borst en buik, met een witte kop, zwarte poten en een dieprode snavel met een scherp zwart puntje; de staart is zwart met een smalle witte eindzoom, en de achterrand van de vleugel is wit. Buiten de broedtijd loopt de witte kop grijsbruin gestreept aan. Jonge vogels zijn donker roetbruin over het hele lichaam, met een tweekleurige vleeskleurige snavel met donkere punt, en worden in de loop van drie jaar geleidelijk gelijkmatiger bruin en daarna grijs. Doordat het grijs van het lijf en het grijs van de vleugel bijna gelijk zijn, oogt hij in de vlucht egaal — anders dan elke andere meeuw van deze kust.

Verwarrings­soorten

In volwassen kleed is verwarring nauwelijks mogelijk: geen enkele andere meeuw van Noord-Amerika heeft een grijs lichaam met een witte kop en een rode snavel. De donkere jonge vogels zijn het echte probleem: een jonge Californische meeuw (Larus occidentalis) is even donker maar groter, zwaarder van snavel en bleker op de stuit, en heeft altijd wat lichte tekening op de vleugel. Een jonge Japanse meeuw (Larus crassirostris) is even egaal donker maar heeft een bleek gezicht en een scherp afgesneden zwarte snavelpunt. Op afstand, wanneer hij achter een pelikaan aan jaagt, doet hij aan een kleine jager denken (Stercorarius parasiticus), maar hij mist de spitse, verlengde middelste staartpennen en de flitsende witte vleugelbasis.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Broedt op kale, rotsige woestijneilandjes in de Golf van Californië, waar het nest niet meer is dan een kuiltje met wat veren, gras en aangespoeld materiaal erin. Buiten de broedtijd blijft hij vlak bij de kust, meestal binnen een kilometer of vijftien uit de wal, boven ondiepten waar sardine en ansjovis zitten. Rusten en slapen doet hij op stranden, rotsen, pieren, palen, havenhoofden en daken langs de kust; steden aan zee mijdt hij niet. Ver op open zee komt hij weinig, en het binnenland vrijwel nooit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Ongeveer negentig procent van de wereldpopulatie broedt op Isla Rasa, een eilandje van nog geen vierkante kilometer in de Golf van Californië; de rest verdeelt zich over enkele tientallen andere eilandjes langs de Mexicaanse kust. Wat hij daarna doet is voor een meeuw ongewoon: in plaats van naar het zuiden te trekken schuiven de vogels vanaf juni noordwaarts langs de Pacifische kust, in juli en augustus tot in Californië, in het najaar tot in Oregon, Washington en Brits-Columbia, om in de winter weer terug te zakken. Een kleiner deel trekt de andere kant op, tot in Guatemala. Sinds Isla Rasa in 1964 werd beschermd is de broedpopulatie sterk gegroeid, van naar schatting vijfenvijftigduizend paren in 1975 tot rond de honderdvijftigduizend paren nu.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste maanden aan de Amerikaanse westkust zijn juli tot en met oktober, en de beste plek is een pier of een rotspunt waar bruine pelikanen vissen: Heermanns meeuwen wachten daar tot een pelikaan bovenkomt en proberen hem de vangst uit de keelzak te stelen. Zoek naar een grijze meeuw die niet met de rest meedrijft maar boven een pelikaan blijft hangen — dat gedrag verraadt hem eerder dan het verenkleed.

Staat van instandhouding

De soort geldt als gevoelig (NT), niet omdat er weinig vogels zijn maar omdat ze bijna allemaal op dezelfde plek broeden: één misoogst aan ansjovis, één storm of één ingevoerde rat op Isla Rasa raakt de hele populatie tegelijk. Op dat eiland werden vroeger jaarlijks duizenden eieren geraapt en werd guano gedolven; sinds de bescherming van 1964 en de verwijdering van ingevoerde ratten en muizen is het broedsucces sterk verbeterd. De blijvende zorgen zijn de bevissing van sardine en ansjovis en de warme jaren, waarin het voedsel wegblijft en de kolonie soms vrijwel niets grootbrengt.

Wetenschappelijke naam

Larus heermanni | Cassin, 1852

Cassin beschreef de soort in 1852 als Larus heermanni, en omdat ze sindsdien in datzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De soortnaam eert Adolphus Lewis Heermann, arts en verzamelaar bij de Amerikaanse spoorwegverkenningen naar de Grote Oceaan, die het beschreven exemplaar verzamelde. Larus is het klassieke Latijnse woord voor een zeemeeuw, ontleend aan het Griekse laros. De typelocatie is San Diego, Californië — niet het broedgebied dus, maar het deel van de kust waar de vogels na het broeden heen trekken.