Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Amerikaanse stormmeeuw

Amerikaanse stormmeeuw | Larus brachyrhynchus

Short-billed Gull | Gaviota de Alaska

De Amerikaanse stormmeeuw is de kleinste en zachtst getekende van de witkoppige meeuwen: een rond duifachtig kopje, een dun geel snaveltje zonder tekening en een donker oog. Hij broedt aan de meren en rivieren van Alaska en noordwest-Canada, soms in een boom, en overwintert langs de Pacifische kust. Tot 2021 gold hij als dezelfde soort als de Europese stormmeeuw.

Amerikaanse stormmeeuw (Larus brachyrhynchus)
Foto: Donna A. Dewhurst DI-Dewhurst, D-MEGU2 — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De gewoonste roep is een hoog, miauwend kie-jer, dunner en zachter dan het geschreeuw van de grote meeuwen. De lange roep is een snelle reeks hoge, ijle noten die aan het eind wegzakt, meestal met opgeheven kop gegeven vanaf een paal of een oeversteen. Bij het nest klinkt een kort, nasaal alarm en een zacht keffend geluid tussen de partners. Op een winterstrand vol meeuwen valt hij vooral op doordat zijn stem zoveel hoger is dan die van de rest.

Luister: VluchtroepXC667363

Opname: Nick Komar — CC BY-NC-SA 4.0 · Nome, Nome, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine meeuw met een rond, duifachtig kopje, een korte dunne snavel zonder ring of vlek, en een donker oog dat het gezicht een zachte uitdrukking geeft. Volwassen vogels zijn middelgrijs op de mantel en wit eronder, met gele tot geelgroene poten, een rode oogring in de broedtijd, en een zwarte vleugelpunt met grote witte spiegels en witte tongpunten die ver in het zwart doorlopen. In winterkleed zijn kop en nek dicht grijsbruin bevlekt, wat het donkere oog nog meer laat uitkomen. Jonge vogels zijn warm lichtbruin met witte veerzomen, donkere bandering op de onderstaartdekveren en een klein tweekleurig snaveltje; in de eerste winter komen de eerste grijze rugveren erbij. In de vlucht oogt hij licht en soepel, meer als een grote stern dan als een meeuw.

Verwarrings­soorten

De ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) is de soort waarmee hij aan de westkust dagelijks door elkaar loopt: die is groter, heeft een blokkiger kop, een bleek oog en een dikkere snavel met een duidelijke zwarte ring, en veel minder wit in de vleugelpunt. De Europese stormmeeuw (Larus canus), waarvan hij pas in 2021 is afgesplitst, is bijna gelijk maar heeft een grotere snavel, kortere vleugels, uitgebreider zwart in de vleugelpunt met kleinere spiegels en een smallere witte achterrand; in Alaska worden beide gezien en is een enkele vogel niet altijd op naam te brengen. Kleine kokmeeuw (Chroicocephalus philadelphia) is nog kleiner, heeft een zwart snaveltje, een zwarte oorvlek in de winter en een witte wig in de voorvleugel. Bij jonge vogels helpt de fijne, scherp tweekleurige snavel: die van een jonge ringsnavelmeeuw is duidelijk zwaarder.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Broedt in het noorden aan meren, rivieren, veenmoerassen en kustlagunes in het boreale bos en de bosrand daarboven, waar hij nestelt op de grond, op een kiezelbank, op een boomstronk of op een tak in een spar tot een meter of zes hoog — voor een meeuw ongewoon. Aan de kust foerageert hij op vis en op wat er tussen de wieren ligt, aan de meren vooral op insecten. In de winter zit hij in estuaria, riviermondingen, lagunes en op stranden, en verder op zoetwaterplasjes vlak achter de kust, sportvelden en natte weilanden. Vuilstorten en de open oceaan mijdt hij, anders dan de meeste grote meeuwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt op het vasteland van Alaska oostwaarts tot noordwest-Alberta en zuidwaarts tot zuidwest-Brits-Columbia. Vogels uit het binnenland trekken eerst rechtstreeks naar de kust en dan zuidwaarts; ze komen laat aan, met de grootste aantallen van oktober tot december, en gaan van maart tot mei weer terug. Overwintert langs de Pacifische kust van zuidelijk Brits-Columbia tot in Californië en, in kleiner aantal, tot noordwest-Neder-Californië. Naar het oosten van Noord-Amerika is hij een zeldzame dwaalgast, en in Zuidoost-Alaska blijft een deel van de vogels de hele winter.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem tussen november en maart op een strand, een riviermonding of een nat sportveld aan de kust van Washington, Oregon of Californië, in de grote gemengde meeuwengroepen. Loop de groep af op koppen, niet op ruggen: het kleine ronde kopje met het donkere oog en het dunne effen snaveltje springt eruit tussen de bleke, starende ogen van de ringsnavelmeeuwen.

Staat van instandhouding

Doordat de soort pas in 2021 van de Europese stormmeeuw is afgesplitst, heeft de IUCN haar nog niet apart geëvalueerd (NE) en staat er in de Rode Lijst geen categorie bij. De aantallen langs de Pacifische kust lijken stabiel; de vogel profiteert eerder van de mens dan dat hij eronder lijdt, want hij gebruikt havens, sportvelden en natte akkers. De risico's liggen in olielozingen in de overwinteringsgebieden, waar veel vogels dicht opeen in een paar baaien zitten, en in aantasting van de broedmeren in het noorden.

Wetenschappelijke naam

Larus brachyrhynchus | Richardson, 1831

Richardson beschreef de soort in 1831 als Larus brachyrhynchus, in de Fauna Boreali-Americana; omdat ze sindsdien in datzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. brachyrhynchus is Grieks voor kortsnavelig, van brakhus voor kort en rhunkhos voor snavel. De typelocatie is Great Bear Lake in de Northwest Territories. Ruim een eeuw lang werd de vogel als een ondersoort van de Europese stormmeeuw beschouwd; in 2021 erkende de American Ornithological Society hem weer als eigen soort, op grond van verschillen in erfelijk materiaal, verenkleed, bouw en stem, en nam daarbij Richardsons naam uit 1831 opnieuw in gebruik.