Alle soortenKeerkringvogelsKeerkringvogels › Roodsnavelkeerkringvogel

Roodsnavelkeerkringvogel | Phaethon aethereus

Red-billed Tropicbird | Rabijunco etéreo

Een spierwitte zeevogel met een koraalrode snavel, een fijne zwarte dwarsstreping over de rug en twee dunne witte staartpennen die langer zijn dan zijn hele lichaam. Hij hoort bij de keerkringvogels, een kleine en op zichzelf staande groep van de tropische oceanen die niet bij de sterns wordt ingedeeld, hoe sterk de gelijkenis in kleur ook is. In Noord-Amerika broedt hij op rotseilanden voor de Mexicaanse Pacifische kust en op de klippen van de Caraïben.

Roodsnavelkeerkringvogel (Phaethon aethereus)
Foto: Nicolas Völcker — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij vrijwel altijd; het geluid hoort bij de kolonie. Daar cirkelen groepjes van twee tot twintig vogels boven de klif en boven het water en schreeuwen daarbij een hard, ratelend krieee-krieee-kri-kri-kri dat ver over zee draagt. De klank is scherp en krassend, meer een kreet dan een roep, en klinkt het luidst in de baltsvluchten aan het begin van het seizoen. Bij het nest blijft het bij lage grommende tonen, en het jong bedelt met een aanhoudend geratel uit de rotsspleet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Volwassen vogels zijn wit, van dichtbij met een fijne zwarte dwarsstreping over mantel, schouders en vleugeldekveren, een zwarte streep die door en achter het oog doorloopt, zwart op de buitenste handpennen en een dieprode snavel. De twee middelste staartpennen zijn wit, dun als een draad en tot een halve meter lang; ze breken makkelijk af, dus een vogel zonder pennen is niets bijzonders. In vlucht is het silhouet onmiskenbaar: een zware, duifachtige romp, spitse vleugels met een snelle, stijve slag, en achter de korte staart de twee draden. De poten staan zo ver naar achteren dat hij op het land niet kan staan en zich schuivend over de rots voortbeweegt. Jonge vogels missen de staartpennen, hebben een gele tot oranje snavel, zijn boven grover zwart getekend en dragen een zwarte band over de nek.

Verwarrings­soorten

De roodstaartkeerkringvogel (Phaethon rubricauda) is even groot maar heeft geen streping over de rug, nauwelijks zwart in de vleugelpunt en rode in plaats van witte staartpennen. De witstaartkeerkringvogel (Phaethon lepturus) is kleiner en lichter gebouwd, met een gele snavel en een brede zwarte schuine band over de bovenvleugel in plaats van fijne streping. Op afstand wordt hij vooral voor een grote stern aangehouden — de reuzenstern (Hydroprogne caspia) en de koningsstern (Thalasseus maximus) hebben ook een grote rode of oranje snavel — maar die dragen een zwarte kap, hebben een gevorkte staart en duiken vlak boven het water na kort te bidden. De keerkringvogel heeft een witte kop met alleen een oogstreep, vliegt met stijve, snelle slagen zonder te zeilen, en stort van tientallen meters hoogte recht het water in.

Leefgebied

Buiten de broedtijd leeft hij op open zee, ver uit de kust en boven diep, helder water; alleen bij de kolonie komt hij binnen zicht van land. Broeden doet hij op steile, onbewoonde rotseilanden en zeekliffen, in een kale kuil onder een overhangende steen, in een spleet of onder laag struikgewas, altijd op een plek vanwaar hij zich zo de lucht in kan laten vallen. Voedsel zoekt hij boven diepe zee, vaak boven scholen tonijn of boven dolfijnen die vliegende vissen naar de oppervlakte drijven. Eilanden waar ratten of katten zijn aangekomen raakt hij kwijt; ondiepe, troebele kustwateren gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt in drie van elkaar gescheiden gebieden: de tropische Atlantische Oceaan, de Caraïbische Zee en de oostelijke Grote Oceaan van de Golf van Californië tot Ecuador en de Galápagos. In Noord-Amerika liggen de kolonies op de rotseilanden van de Golf van Californië — Isla San Pedro Mártir en de eilandjes voor Neder-Californië — en verder zuidwaarts tot voor de kust van Colima, en in het oosten op de cayos en klippen bij Puerto Rico. Buiten de broedtijd zwerft hij ver over open zee: in de nazomer verschijnt hij jaarlijks in klein aantal voor de kust van Zuid-Californië, en bij uitzondering tot in Hawaï, de Golf van Mexico en langs de Atlantische kust van de Verenigde Staten. Voor de Pacifische populatie werd in 1995 een aantal van rond de vijftienduizend vogels genoemd, voor het westelijke Atlantische gebied rond 2000 vier- tot vijfduizend paren.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Hij is bijna altijd een vondst vanaf een boot: kijk op een tocht in de Golf van Californië of voor Zuid-Californië in augustus en september omhoog en niet naar het water, want hij passeert hoog en recht door. De staartpennen zijn op afstand nauwelijks te zien; wat opvalt is een korte, gedrongen witte vogel met snelle, stijve vleugelslag die geen moment op de wind zeilt zoals een stern of een gent. Bij de kolonies van Puerto Rico is maart tot juni de tijd: ga naar een kliffront en wacht op de cirkelende, krijsende groepjes boven zee.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd te boek, maar de aantallen nemen af en de schattingen lopen ver uiteen, omdat de kolonies klein zijn en over veel afgelegen eilanden verspreid liggen. De grootste bedreiging zijn ingevoerde ratten en verwilderde katten, die op de broedeilanden eieren en jongen weghalen; op eilanden waar die zijn uitgeroeid komen de vogels terug. In Mexico staat hij op de nationale lijst van soorten met een beschermde status. Bij Puerto Rico wordt het aantal broedparen op ongeveer achttienhonderd geschat, na een sterke daling in de laatste eeuwen.

Wetenschappelijke naam

Phaethon aethereus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phaëthon aethereus, en ze staat nog altijd in datzelfde geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Phaethon is het Griekse phaethon, 'de stralende': de zoon van de zonnegod, die met de zonnewagen te dicht bij de aarde kwam. aethereus is Latijn voor 'van de hoge lucht' of 'hemels' — een naam voor een vogel die vrijwel zijn hele leven hoog boven open zee doorbrengt. De typelocatie is Ascension, midden in de Atlantische Oceaan.