Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Vorkstaartmeeuw
Vorkstaartmeeuw | Xema sabini
Sabine's Gull | Gaviota de Sabine
De vorkstaartmeeuw is de enige meeuw met een duidelijk gevorkte staart en met een bovenvleugel die in drie scherpe driehoeken is verdeeld: grijs, zwart en wit. Hij broedt op natte toendra langs de arctische kust en legt daarna de langste trek van alle meeuwen af, tot in de opwellingszones voor Peru en Namibië. Wie hem in Noord-Amerika ziet, ziet hem meestal ver uit de kust, in het najaar, vanaf een boot.
Geluid
Zijn stem past niet bij een meeuw: hoog, schel en piepend, met een rauw kraaiend randje dat eerder aan een stern doet denken. In de kolonie op de toendra is hij luidruchtig, vooral wanneer een jager of een vos langskomt en de vogels — vaak samen met de noordse sterns waartussen hij broedt — er in een wolk op afduiken. Buiten de broedtijd zwijgt hij bijna volledig. Op zee is hij daarom een stille verschijning, en het geluid is voor de veldwaarnemer zelden van nut.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · Olonkinbyen, Jan Mayen, Norway · xeno-canto
Herkenning
In zomerkleed heeft de volwassen vogel een leigrijze kap die aan de achterkant scherp door een smalle zwarte kraag wordt afgezet, een rode oogring en een zwart snaveltje met een gele punt. Het beste kenmerk staat in de bovenvleugel: de binnenvleugel is grijs, de handpennen zijn zwart en de armpennen zuiver wit, zodat er in vlucht drie grote driehoeken naast elkaar liggen. De staart is wit en duidelijk gevorkt, wat bij geen enkele andere meeuw in het gebied zo is. In winterkleed verdwijnt de kap en blijft er een grijze nek en een donkere veeg om het oog over. Jonge vogels hebben in plaats van grijs een schubbig grijsbruine binnenvleugel, een zwarte staartband en een geheel zwart snaveltje, maar dragen hetzelfde driehoekenpatroon.
Verwarringssoorten
Jonge dwergmeeuwen (Hydrocoloeus minutus) en jonge drieteenmeeuwen (Rissa tridactyla) dragen ook een donkere M over de bovenvleugels, maar bij hen loopt die als een zigzag door de hele vleugel, terwijl de vorkstaartmeeuw drie strak begrensde driehoeken heeft en een gevorkte staart. Ross' meeuw (Rhodostethia rosea) is kleiner en heeft een wigvormige staart met een verlengde middenveer in plaats van een vork. Volwassen vogels met hun grijze kap worden zelden verward, maar op afstand kan de lichte, dansende vlucht een stern suggereren; het brede witte staartvlak en de driedelige vleugel maken dat meteen ongedaan. De aleoetenstern (Onychoprion aleuticus) heeft weliswaar ook een grijs-wit-zwart patroon, maar een rechte spitse snavel en een veel diepere staartvork.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Hij broedt op laaggelegen, natte kusttoendra met poelen en meertjes, in zeggenveld en op modderige oevers, meestal binnen enkele honderden meters van zoet water en vaak in kleine groepjes tussen kolonies noordse sterns, die de kuikens mee helpen verdedigen. Zijn voedsel zoekt hij daar als een steltloper: lopend en pikkend tussen de vegetatie en langs de waterkant, naar muggenlarven, kevers en vliegen. Zodra de jongen vliegen verlaat hij het land en is hij een vogel van de open oceaan, met een sterke voorkeur voor koude opwellingszones langs de rand van het continentale plat. Binnenwater en de gewone kustvogelplekken — havens, stranden, vuilstorten — slaat hij over.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in een onderbroken band rond de Noordpool: op de west- en noordkust van Alaska, in het Canadese noorden van Yukon tot Nunavut, langs de Hudsonbaai, in Groenland en van Spitsbergen oostwaarts door Siberië. De trek is de langste van alle meeuwen, jaarlijks ruim dertigduizend kilometer: vogels uit het westen volgen de Grote Oceaan naar het opwellingsgebied voor Peru en noordelijk Chili, vogels uit het oosten steken via West-Europa en Noordwest-Afrika over naar de wateren voor Namibië en Zuid-Afrika. Langs de Noord-Amerikaanse Pacifische kust trekt hij van augustus tot oktober in groepen door, vrijwel altijd buiten zicht van land, en vervolgens langs de Mexicaanse westkust zuidwaarts. Aan de Atlantische kant is hij zeldzaam, en in het binnenland duikt hij vrijwel alleen op nadat een najaarsstorm hem heeft afgedreven.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De betrouwbaarste manier om hem te zien is een pelagische boottocht voor Oregon, Californië of Brits-Columbia in september, wanneer de trek op gang is; vanaf het strand blijft het meestal bij een verre stip. Let dan niet op de kop maar op de vleugel: het strakke driehoekenpatroon is al herkenbaar op een afstand waarop verder niets meer te zien is. Op de toendra, bijvoorbeeld bij Utqiaġvik in Alaska, zit hij in juni gewoon aan de rand van een poel en laat hij zich van dichtbij bekijken.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een geschatte broedpopulatie van zo'n driehonderdveertigduizend vogels, verspreid over gebieden waar bijna niemand komt. Betrouwbare trends zijn er daardoor niet: kolonies zijn klein, verspreid en verplaatsen zich tussen jaren. De grootste zorg is klimaatverandering, die zowel de natte toendra waar hij broedt als de opwellingszones waar hij overwintert verandert. Daarnaast is hij als vogel van de open zee gevoelig voor olie en voor gif dat zich in de voedselketen ophoopt.
Wetenschappelijke naam
Xema sabini | (Sabine, 1819)
Joseph Sabine beschreef de soort in 1819 als Larus Sabini en noemde haar naar zijn broer Edward Sabine, die het eerste exemplaar in 1818 aan de westkust van Groenland verzamelde tijdens Ross' zoektocht naar de noordwestelijke doorvaart; omdat de soort daarna in een eigen geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht, Xema, werd in datzelfde jaar 1819 ingevoerd door Leach, en is een verzonnen woord zonder betekenis — Leach hield ervan namen te maken die nergens naar verwijzen. De typelocatie zijn de Sabine-eilanden bij Melvillebaai, aan de westkust van Groenland. De Nederlandse naam wijst op het kenmerk dat hem van elke andere meeuw scheidt.




