Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Drieteenmeeuw

Drieteenmeeuw | Rissa tridactyla

Black-legged Kittiwake | Gaviota tridáctila

De drieteenmeeuw is de meeuw die het verst van het land leeft: na de broedtijd brengt hij maanden achtereen op open zee door zonder aan wal te komen. Hij dankt zijn Nederlandse naam aan zijn achterteen, die tot een stompje is teruggebracht, en zijn Engelse naam aan zijn roep. Hij is met miljoenen, en toch staat hij sinds 2017 als kwetsbaar te boek.

Drieteenmeeuw (Rissa tridactyla)
Foto: DickDaniels — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep die hem in het Engels zijn naam gaf is een schel, nasaal kittie-waaak, kittie-waaak, dat bij een kolonie uit duizenden kelen tegelijk van de klif komt en boven het water blijft hangen. Bij het nest klinkt daarnaast een zacht, kirrend begroetingsgeluid tussen de partners, en van het vrouwtje een hoog piepend bedelen tijdens de balts. Nadert er een rover, dan gaat de kolonie over op een kort herhaald o-o-o-o en vliegen de vogels tegelijk op. Op zee is hij vrijwel altijd stil; wie hem daar hoort, hoort meestal ruzie om een visje.

Luister: ZangXC1167636

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Ekkeroy, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, slanke meeuw met een lichtgrijze mantel, witte kop en onderdelen, een effen gele snavel zonder rode vlek en korte, gitzwarte poten. De vleugelpunt lijkt in inkt gedoopt: het zwart is scherp begrensd, beslaat de buitenste drie handpennen en heeft geen witte spiegels. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit; in winterkleed komen er een grijze veeg achter het oor en een grijze nek bij. Bij jonge vogels loopt over de uitgespreide bovenvleugels een zwarte M, ligt om de nek een zwarte band, is de snavel zwart en draagt de licht gevorkte staart een zwarte eindband. De vlucht is licht en veerkrachtig, met stijve snelle slagen, en boven zee scheert hij laag door de golfdalen.

Verwarrings­soorten

De roodpootdrieteenmeeuw (Rissa brevirostris) van de Beringzee is de naaste verwant en de meest gelijkende soort: kleiner, donkerder grijs, met korte rode poten, een korter snaveltje en — beslissend — een grijze in plaats van witte ondervleugel. De Amerikaanse stormmeeuw (Larus brachyrhynchus) is ongeveer even groot en heeft ook een effen geel snaveltje, maar gele poten, duidelijke witte spiegels in de zwarte vleugelpunt en een zachter, ronder gezicht. Jonge drieteenmeeuwen worden verward met jonge vorkstaartmeeuwen (Xema sabini) en dwergmeeuwen (Hydrocoloeus minutus), die dezelfde zwarte M over de vleugels dragen; de drieteenmeeuw is groter, heeft zwarte poten, een zwarte halsband en een staartband over de volle breedte. Bij twijfel helpt de poot: gitzwart bij een drieteenmeeuw, rood of vleeskleurig bij de andere.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Broeden doet hij op smalle richels van steile zeekliffen, waar geen vos of rat bij kan; op vlak land nestelt hij vrijwel nooit, en waar hij op gebouwen gaat zitten kiest hij vensterbanken en richels die een klif nabootsen. Buiten de broedtijd leeft hij volledig op open zee, met een voorkeur voor koud water boven de rand van het continentale plat, boven banken en zeebergen en langs stroomfronten, waar het voedsel zich verzamelt. Anders dan de meeste meeuwen komt hij niet op vuilstorten af en zoekt hij ook havens weinig op. Tijdens de broedtijd foerageert hij tot een dag varen van de kolonie, laag over het water dippend of met een korte duik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt rond het hele noordelijke halfrond: in Noord-Amerika van de Aleoeten en de Beringzee langs de Golf van Alaska, in het Canadese hoge noorden, in Groenland en in grote kolonies op Newfoundland, Labrador en in de Golf van Sint-Laurens. Buiten de broedtijd verspreidt hij zich over de open oceaan: in het westen tot voor Californië en het noordwesten van Mexico, in het oosten tot voor North Carolina en in kleinere aantallen zuidelijker. De twee kanten van het continent gingen de laatste halve eeuw verschillende kanten op — verschillende kolonies in oostelijk Canada groeiden sterk, terwijl die in de Beringzee juist inzakten. In de herfst trekt een enkele jonge vogel over het binnenland, en na een zware storm belanden er soms tientallen op de Grote Meren.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juni of juli naar een kliffenkolonie — Cape St. Mary's op Newfoundland, de Pribilofeilanden — en let op hoe smal de richels zijn waarop een nest past. Wil je hem in de winter zien, ga dan zeetrekkijken vanaf een landtong bij aanlandige storm, van november tot maart; dan komen ze binnen bereik van de kust. Kijk in vlucht naar de vleugelpunt: zuiver zwart zonder wit, alsof hij in inkt is gedoopt, is op grote afstand het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie telt bijna vijftien miljoen vogels, maar is sinds de jaren zeventig met ongeveer veertig procent afgenomen, en dat bracht de soort in 2017 van niet bedreigd naar kwetsbaar (VU). De oorzaak ligt bij het voedsel: warmer zeewater verschuift het plankton en daarmee de kleine vis waarvan hij leeft — zandspiering in het oosten, lodde en haring in de Beringzee — en in slechte jaren mislukt een hele kolonie tegelijk. Daarnaast verdrinken vogels in vistuig. Omdat hij zijn nesten open en zichtbaar op de klif legt, is hij een van de best getelde zeevogels ter wereld, en daardoor loopt de teruggang meteen in het oog.

Wetenschappelijke naam

Rissa tridactyla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus tridactylus; omdat ze later in een eigen geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rissa werd in 1826 ingevoerd door Stephens en is ontleend aan het IJslandse rita, de naam voor deze vogel. tridactyla is Grieks voor drietenig, naar de achterteen die bij deze meeuw tot een nagelloos stompje is teruggebracht. Als typelocatie gaf Linnaeus Noord-Europa op; die is later beperkt tot Groot-Brittannië.