Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Roodpootdrieteenmeeuw
Roodpootdrieteenmeeuw | Rissa brevirostris
Red-legged Kittiwake | Gaviota piquicorta
De roodpootdrieteenmeeuw broedt op een handvol eilanden in de Beringzee en nergens anders ter wereld. Verreweg het grootste deel van de soort zit op de kliffen van de Pribilofeilanden, waar de vogels hun nest bouwen op richels van nauwelijks een handbreedte. Korte, felrode poten, een kort geel snaveltje en een groot donker oog zijn van dichtbij kenmerkend.
Geluid
Op de kolonie is hij luidruchtig: een hard, herhaald kie-ja, meestal in reeksen van drie of vier, hoger en schriller dan het bekende kitti-week van de drieteenmeeuw. Daarnaast een snelle, hoge lachreeks en een lang uitgehaald gejammer wanneer een vogel het nest verlaat. Op zee zwijgt hij vrijwel altijd. Wie op de kliffen van Saint Paul of Saint George staat hoort de twee soorten door elkaar en leert het toonhoogteverschil snel.
Opname: Christoph Zockler — CC BY-NC-SA 4.0 · Kamchatka Krai, Russian Federation · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, kortpotige meeuw met een rond hoofd, een groot donker oog en een kort geel snaveltje. Man en vrouw zijn gelijk. De poten zijn kort en helder koraalrood — het kenmerk waaraan hij zijn naam dankt, maar bij een vogel op een richel juist vaak niet te zien. De mantel is duidelijk donkerder leigrijs dan bij de drieteenmeeuw, en de ondervleugel is grijs in plaats van wit, wat in vlucht van onderen het beste kenmerk is. De vleugelpunt is effen zwart zonder wit, en de vleugels steken in rust ver voorbij de korte staart. Jonge vogels missen de zwarte W en de zwarte staartband van jonge drieteenmeeuwen: ze hebben alleen een donkere oorvlek en een grijze nekband, en lijken daarmee al sterk op een volwassen vogel.
Verwarringssoorten
De drieteenmeeuw (Rissa tridactyla) is de enige echte verwarringssoort, en broedt op dezelfde kliffen: die is groter, lichter grijs op de mantel, heeft zwarte poten, een langere gele snavel en een witte ondervleugel. In vlucht van onderen is het verschil groot — grijs tegen wit — en dat werkt ook op afstand. Jonge vogels verschillen het duidelijkst: het zwarte zigzagpatroon over de vleugels en de zwarte staartband van een jonge drieteenmeeuw ontbreken hier volledig. Verder is de roodpootdrieteenmeeuw korter van snavel en groter van oog, wat hem een zachter, duifachtig gezicht geeft.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Broedt uitsluitend op steile zeekliffen van eilanden in de Beringzee, op smallere richels dan de drieteenmeeuw gebruikt en meestal wat hoger. Buiten het broedseizoen leeft hij op open zee, vooral boven diep water voorbij de rand van het continentaal plat en langs de rand van het pakijs. Hij eet vooral lantaarnvissen, die 's nachts naar de oppervlakte komen, en foerageert daarom voor een groot deel in het donker. Kustwateren, baaien en havens gebruikt hij nauwelijks.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het hele wereldareaal bestaat uit de Pribilofeilanden, Bogoslof, Buldir in de westelijke Aleoeten en Saint Matthew Island in Alaska, plus de Commandeurseilanden aan de Russische kant. Het overgrote deel van de soort broedt op Saint George Island alleen. In september verlaten de vogels de kliffen en verspreiden ze zich over de Beringzee, het noordwesten van de Grote Oceaan en de Golf van Alaska; buiten die zeeën wordt hij zelden gezien. Binnen het gidsgebied is Alaska daarmee de enige eenheid, en daar is hij het hele jaar aanwezig.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Er is één praktische manier om hem te zien: het vliegtuig naar Saint Paul of Saint George op de Pribilofeilanden, tussen half mei en eind augustus, en dan vanaf de klifrand naar beneden kijken. Zoek op de nauwste richels de vogels met de donkerste rug, en wacht tot er een langs de klif zeilt: de grijze ondervleugel geeft de doorslag. Buiten dat seizoen zit de soort op zee en is ze praktisch onbereikbaar.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 337.000 tot 377.000 volwassen vogels en is sinds het midden van de jaren zeventig met ruwweg een derde afgenomen; de laatste jaren lijkt die daling tot stilstand te zijn gekomen. De IUCN merkt de soort daarom als kwetsbaar (VU) aan. De oorzaak wordt gezocht bij het voedsel: de aanvoer van lantaarnvis hangt af van temperatuur en stroming in de Beringzee, en die veranderen. Een soort die op zo weinig eilanden zit is bovendien kwetsbaar voor één ongeluk — een olieramp, of ratten die aan wal komen.
Wetenschappelijke naam
Rissa brevirostris | (Bruch, 1855)
Carl Friedrich Bruch beschreef de soort in 1855 als Larus (Rissa) brevirostris; omdat Rissa sindsdien een eigen geslacht is geworden, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rissa is ontleend aan het IJslandse rita, de naam voor de drieteenmeeuw. brevirostris is Latijn voor kortsnavelig, van brevis voor kort en rostrum voor snavel, en dat is precies wat hem van zijn zustersoort scheidt. De typelocatie is niet nauwkeuriger opgegeven dan noordwestelijk Noord-Amerika.


