Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kleine kokmeeuw

Kleine kokmeeuw | Chroicocephalus philadelphia

Bonaparte's Gull | Gaviota de Bonaparte

De kleine kokmeeuw is een tengere, sternachtige meeuw met een zwarte kap, een dun zwart snaveltje en een lange witte wig in de vleugelpunt die bij elke slag oplicht. Hij is de enige meeuw ter wereld die gewoonlijk in bomen nestelt: hoog in een sparrenbos aan de rand van een veenmeertje in het noorden van Canada en Alaska. Buiten de broedtijd is hij overal aan de kust en op de grote meren te vinden, in strakke, snel bewegende groepen.

Kleine kokmeeuw (Chroicocephalus philadelphia)
Foto: D. Gordon E. Robertson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is nasaal en rasperig, een kort tsjerr of gerekt tsjieer, dat weinig van een meeuw en veel van een stern weg heeft. Een foeragerende groep boven een getijdenstroom houdt een zacht, aanhoudend geknor aan waaraan je hem al hoort voor je hem ziet. Bij het nest is hij luidruchtig en agressief, en een groep die een kraai of een jager wegjaagt maakt een hoog, ratelend kabaal. In de winter is hij op zijn stilst, en dan valt vooral de vlucht op en niet het geluid.

Luister: VluchtroepXC1013578

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Haute-Côte-Nord Regional County Municipality (near Les Escoumins), Côte-Nord, Quebec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een kleine meeuw met een fijn, dun en volledig zwart snaveltje, een licht grijze mantel en een lichte, veerkrachtige vlucht die aan een stern doet denken. In zomerkleed draagt hij een leigrijze tot zwarte kap met smalle witte oogleden, en zijn de poten oranjerood. Het beste kenmerk zit in de vleugel: over de hele buitenrand van de bovenvleugel loopt een lange witte wig, met een smalle zwarte achterrand aan de punt, en de ondervleugel is helder wit en doorschijnend tegen het licht. In winterkleed is de kop wit met één ronde donkere oorvlek, en zijn de poten vleeskleurig. Eerstejaars vogels dragen een donkere M over de bovenvleugels, een zwarte staartband en dezelfde oorvlek, maar hebben de witte wig al.

Verwarrings­soorten

De kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) lijkt het meest op deze soort, en in de winter langs de noordoostkust staan de twee vaak in dezelfde groep: die is groter en zwaarder, heeft een rode of donkerrode in plaats van zwarte snavel, een chocoladebruine in plaats van zwarte kap, en — het beslissende kenmerk — een donkergrijze in plaats van witte ondervleugelpunt. De dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) is nog kleiner, heeft afgeronde vleugels zonder witte wig en bij volwassen vogels een roetzwarte ondervleugel. De lachmeeuw (Leucophaeus atricilla) en de Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan) hebben een donkergrijze mantel, een zwaardere snavel en geen witte wig in de vleugel. Kijk bij elke twijfel eerst van onderen naar de vleugelpunt: bij de kleine kokmeeuw is die schoon wit.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Broeden doet hij in het boreale bos, in de overgang tussen veenmoeras en naaldbos: kleine meertjes, laagveen en langzame beken met zwarte spar, lariks en jack pine (kleine den van schrale zandgronden in het boreale oosten) eromheen, waar hij zijn nest van takjes en korstmos drie tot twaalf meter hoog in een boom bouwt, meestal binnen enkele tientallen meters van het water. Daar eet hij vooral insecten, die hij als een zwaluw uit de lucht plukt of van het wateroppervlak pikt. Buiten de broedtijd is hij een vogel van estuaria, baaien, havens, getijdenstromen, spuisluizen, stuwmeren en de grote meren, overal waar stroming kleine vis en kreeftjes naar de oppervlakte brengt. Vuilstorten en akkers, waar de grote meeuwen zitten, laat hij links liggen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in een brede band door het boreale bos, van het zuidwesten van Alaska en Yukon door de Canadese binnenlanden tot in het oosten van Quebec, verspreid en nergens in dichte kolonies. In de winter zit hij aan beide kusten: aan de Pacifische kant van Brits-Columbia zuidwaarts tot in het westen van Mexico, aan de Atlantische kant van New England tot Florida, langs de Golfkust tot Texas, in het binnenland van het zuidoosten en tot op de Bahama's en Cuba. De trek loopt in grote getale over het binnenland en de Grote Meren, met grote concentraties op de Niagararivier in november en december, waar tienduizenden vogels tegelijk kunnen staan. Als broedvogel van moeilijk toegankelijk moerasbos is hij nooit goed geteld; wat er aan cijfers is wijst op een stabiel tot toenemend bestand.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in november naar de Niagararivier of naar een getijdenstroom bij een havenmond, en zoek niet naar een enkele vogel maar naar het gedrag van de groep: kleine kokmeeuwen vliegen tegen de wind in laag boven het water, pikken al dippend hun prooi op, laten zich dan met de wind mee terugdrijven en beginnen opnieuw, als een lopende band. In het voorjaar, bij hoge tij en oostenwind, staan ze langs de kust bij elkaar: tussen de honderden zit soms de zeldzame kokmeeuw.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ongeveer tweehonderdzestigduizend vogels geschat en is in de laatste eeuw waarschijnlijk toegenomen; op de Noord-Amerikaanse zorglijsten staat hij laag. Zijn broedgebied ligt grotendeels buiten de landbouw en de bebouwing, wat hem beschermt, maar maakt hem ook moeilijk te volgen. De bekende risico's zijn zware metalen en andere gifstoffen die zich in het water ophopen, en verschuivingen in het voedselaanbod op zee en in de meren als gevolg van een veranderend klimaat.

Wetenschappelijke naam

Chroicocephalus philadelphia | (Ord, 1815)

George Ord beschreef de soort in 1815 als Sterna philadelphia — hij hield haar dus voor een stern, wat iets zegt over hoe sternachtig ze eruitziet; omdat ze inmiddels bij de meeuwen staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton en is Grieks, van chroa voor kleur en kephale voor kop, naar de gekleurde kap die de meeste soorten van dit geslacht in de zomer dragen. philadelphia betekent eenvoudig van Philadelphia: het beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van die stad. De Engelse naam eert Charles Lucien Bonaparte, de neef van Napoleon, die in de jaren 1820 enkele jaren in de Verenigde Staten aan de vogelnaamgeving werkte.