Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Kortbekzeekoet
Kortbekzeekoet | Uria lomvia
Thick-billed Murre | Arao de Brünnich
De kortbekzeekoet is de zeekoet van het pakijs: zwaarder, korter van snavel en donkerder dan zijn zuidelijke tegenhanger, en een van de talrijkste broedvogels van de Beringzee en de Canadese Arctische Archipel. Hij broedt schouder aan schouder op smalle klifrichels, met minder ruimte per vogel dan welke andere vogelsoort ook, en duikt daarvandaan tot ruim honderd meter diep. Een enkele klif kan meer dan een miljoen vogels dragen.
Geluid
In de kolonie hoor je een aanhoudend, laag en rauw geroep dat over de hele klifwand staat: een grommend, keelachtig arrrrr en a-uurrr, met de kop naar voren gestrekt en de bek wijd open. Duizenden vogels tegelijk maken daar een diep, onafgebroken gebrom van dat over het water tot ver van de klif hoorbaar is; het klinkt zwaarder en meer knorrend dan het hogere gekerm van de zeekoet. Bij het jong klinkt een kort, laag knorren, en het jong antwoordt met een dun gepiep. Op zee zwijgt hij.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Westfjords Region, Iceland · xeno-canto
Herkenning
Een grote, zware alk met een rechte houding op de richel, een dikke hals, een spits toelopende kop en een korte, krachtige snavel met een rechte ondersnavel en een licht gebogen bovensnavel. Van boven is hij zwart met een blauwe glans, van onderen zuiver wit; het zwart van de keel loopt in een scherpe punt naar beneden de witte borst in — een van de betrouwbaarste kenmerken. Langs de snijrand van de bovensnavel loopt een dunne, lichtblauwe tot witte streep van de mondhoek naar voren. In winterkleed worden keel en onderste helft van de wang wit, maar blijft de zwarte kap tot onder het oog doorlopen, zonder streep over het wit. Jonge vogels hebben een kortere, fijnere snavel waarop de lichte streep nauwelijks te zien is. Man en vrouw zien er gelijk uit; de vlucht is snel en recht, laag over het water, met korte smalle vleugels die ook onder water als peddels dienen.
Verwarringssoorten
De zeekoet (Uria aalge) lijkt het meest op deze soort: die is bruiner zwart, slanker, met een langere en dunnere snavel zonder lichte streep, en de grens tussen zwart en wit op de borst loopt recht in plaats van in een punt. In winterkleed is het verschil het duidelijkst: de zeekoet heeft een wit gezicht met een donkere streep die daar achter het oog dwars doorheen loopt, de kortbekzeekoet heeft een geheel donkere kap zonder streep. De alk (Alca torda) is even groot maar heeft een hoge, zijdelings platte snavel met een witte dwarslijn en een lange spitse staart. De kleine alk (Alle alle) is veel kleiner en heeft geen hals. In het noorden van de Grote Oceaan is de kortbekzeekoet doorgaans de zwaardere en donkerdere van de twee zeekoeten, en zijn snavel daar nog forser dan aan de Atlantische kant.
Leefgebied
Hij broedt op smalle richels van steile zeekliffen en op rotseilanden, waar het ene ei zonder nest op het kale gesteente ligt en de richel zo smal mag zijn dat de vogel er nauwelijks op past. Buiten de broedtijd leeft hij op zee boven het continentale plat en de rand ervan, en in het noorden bij voorkeur langs de ijsrand en bij wakken, waar poolkabeljauw onder het ijs staat. Hij vist in diep water: duiken van twintig tot veertig meter zijn gewoon en tot ruim honderd meter is gemeten. Ondiepe beschutte baaien en zoete binnenwateren gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Rondom de noordpool. In Noord-Amerika broedt hij aan de Pacifische kant op de eilanden van de Beringzee — Sint-Laurenseiland, Sint-Matteüs, de Pribilofeilanden, de Diomedes — en langs de Tsjoektsjenzeekust van Alaska, en aan de Atlantische kant in Groenland en in de Canadese Arctische Archipel, van Prince Leopold Island tot Coats, Digges en Akpatok in de Hudsonstraat, met zuidelijke kolonies in Labrador, Newfoundland en op de Rochers-aux-Oiseaux in de Golf van Sint-Laurens. In de winter trekken de vogels naar ijsvrij water: aan de Atlantische kant tot voor Newfoundland, Nova Scotia en de Golf van Maine, met kleinere aantallen tot Massachusetts, en aan de Pacifische kant naar de Aleoeten en de Golf van Alaska. In Zuidwest-Groenland en voor Newfoundland verzamelen zich in de winter miljoenen vogels uit het hele noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Van juni tot begin augustus zijn de kolonies het doel: een boottocht langs de kliffen van Sint-Paul in de Pribilofeilanden, waar de vogels op ooghoogte op de richels zitten, of langs Gannet Islands in Labrador en Akpatok in de Hudsonstraat. Kijk op de richel eerst naar de snavel — kort, zwaar, met een lichte streep langs de snijrand — en pas daarna naar de kleur. Aan de oostkust van de Verenigde Staten is hij vooral een winterbeeld: zoek in januari en februari vanaf een kaap in Maine of Massachusetts naar zwaargebouwde alken met een geheel donkere kap.
Staat van instandhouding
Met vijftien tot twintig miljoen vogels is dit een van de talrijkste zeevogels van het noordelijk halfrond, en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Toch verdwijnen er kolonies: in West-Groenland zijn door de jacht met vuurwapens, jarenlang zonder grens, hele klifwanden leeg komen te staan, en in Newfoundland vergde de winterjacht generaties lang een zware tol. Daarbovenop komen olie, verdrinking in kieuwnetten en het krimpende zee-ijs, waarmee de poolkabeljauw verdwijnt die de jongen groot moet brengen. In de Beringzee stierven in 2018 tienduizenden zeekoeten van uitputting nadat het zeewater ongewoon warm was geworden.
Wetenschappelijke naam
Uria lomvia | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alca lomvia, bij de alken; omdat ze later in Uria is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Uria werd in 1760 ingevoerd door Brisson en gaat terug op het Griekse ouria, de naam van een watervogel bij Athenaeus. lomvia is een Zweeds woord voor een alk of duiker, net als torda door Linnaeus uit de volkstaal overgenomen. Als typelocatie noemde hij het boreale Europa; Hartert beperkte die in 1921 tot Groenland. In het Spaans (arao de Brünnich) en in het Brits-Engels (Brünnich's Guillemot) is de vogel vernoemd naar de Deense zoöloog Morten Thrane Brünnich, die in de achttiende eeuw de vogels van het hoge noorden beschreef.



