Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Kleine alk

Kleine alk | Alle alle

Dovekie | Mérgulo atlántico

De kleine alk is niet veel groter dan een spreeuw en waarschijnlijk de talrijkste zeevogel van de noordelijke Atlantische Oceaan: een zwart-wit propje zonder hals, met een klein stomp snaveltje, dat op zwermen minuscule kreeftjes leeft. Hij broedt met miljoenen tegelijk in de steenhellingen van Noordwest-Groenland en overwintert op open zee, waar de meeste waarnemers hem alleen als een wegsnorrend stipje zien. Na een najaarsstorm kan hij plotseling binnen de kust belanden, tot in vijvers en op parkeerplaatsen.

Kleine alk (Alle alle)
Foto: Jerzy Strzelecki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie is hij oorverdovend: uit de steenhelling stijgt een aanhoudend, hoog kwetterend gelach op, een golvend tsjirrr-tsjirrr-i-i-i-i dat door duizenden vogels tegelijk wordt volgehouden en op afstand als het ruisen van water klinkt. Vliegende zwermen laten boven de helling een snel, giechelend geratel horen dat op- en afzwelt met elke wending. Bij de nestspleet klinkt het geluid korter en knorriger. Op zee, buiten de broedtijd, is hij vrijwel altijd stil.

Luister: VluchtroepXC911165

Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · Bjørndalen, Longyearbyen, Norway · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen alk zonder zichtbare hals, met een korte staart, korte smalle vleugels en een kort, stomp, bijna kegelvormig snaveltje. In broedkleed is kop, hals, borst en bovenzijde diepzwart en de buik wit, met een scherpe grens midden op de borst, een klein wit vlekje boven het oog en fijne witte streepjes op de schouderveren. In winterkleed wordt de keel wit en loopt het wit als een halve kraag omhoog achter de oorstreek, terwijl de kruin en de rug zwart blijven. Jonge vogels lijken op winterkleed maar zijn bruiner van tint. In de vlucht is het silhouet kenmerkend: een bijna rond lijfje met snel trillende vleugels, dat laag over de golven bijna insectachtig voortsnort.

Verwarrings­soorten

Verwarring met andere Atlantische alken is een kwestie van maat: papegaaiduiker (Fratercula arctica), alk (Alca torda) en de zeekoeten zijn allemaal twee tot vier keer zo groot, met een langere hals en een langere snavel. Bij een ver stipje op zee helpt vooral de vliegwijze — de kleine alk snort, de andere alken slaan zwaarder en trager. In de Beringzee, waar hij maar op een enkele plek broedt, lijkt de dwergalk (Aethia pusilla) qua vorm en formaat het meest op hem, maar die heeft een rood snaveltje met een wit borsteltje boven het oog en is van onderen gevlekt in plaats van zuiver wit. Op het water wordt een kleine alk ook wel voor een jonge zeekoet aangezien; het ontbreken van een hals en het stompe snaveltje halen dat er meteen uit.

Leefgebied

Hij broedt in steenhellingen en puinwaaiers aan de voet van kliffen, waar het ei diep tussen de blokken buiten bereik van vossen en meeuwen ligt; de kolonies liggen vaak honderden meters boven zee en soms kilometers landinwaarts. Voedsel zoekt hij op zee waar koud water zich met warm mengt en het roeipootkreeftje Calanus in dichte zwermen bij de oppervlakte hangt: langs de ijsrand, boven de rand van het continentale plat, en in stroomfronten en opwellingszones. Ondiepe beschutte kustwateren en de open, warme oceaan gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Verreweg de meeste kleine alken broeden in Noordwest-Groenland, met kleinere kolonies op Spitsbergen, Nova Zembla, Frans Jozefland en IJsland; aan de Canadese kant zitten er verspreide kolonies op Baffineiland en in de Hudsonstraat. Aan de Pacifische kant broedt hij alleen op Little Diomede en enkele andere punten in de Beringstraat, met een handvol paren. In de winter verlaat hij het hoge noorden en verspreidt zich over de Labradorzee en de Grand Banks; van daaruit reiken de aantallen zuidwaarts tot voor de kust van Nova Scotia en New England, met kleinere getallen tot New York en New Jersey. Waar de zee niet dichtvriest blijft hij het hele jaar, en voor Zuidwest-Groenland zijn de winteraantallen groot.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Van november tot maart is een aanlandige noordoosterstorm de beste bondgenoot: ga daarna op een kaap van Massachusetts, Rhode Island of Long Island staan en zoek laag boven de golven naar kleine zwart-witte propjes die met trillende vleugels langsschieten. Op een pelagische boottocht boven de rand van het plat is de kans het grootst en de kijkafstand het kortst. Wordt een kleine alk na een storm op het land aangetroffen, laat hem dan met rust: hij kan niet van vlak land opstijgen en hoort terug in open water, niet in een badkuip.

Staat van instandhouding

Schattingen van de wereldpopulatie lopen ver uiteen, maar het gaat om tientallen miljoenen vogels, waarvan het overgrote deel in Noordwest-Groenland broedt; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Op de kolonies zijn poolvossen, grote burgemeesters en ingevoerde ratten de vaste vijanden, en in Groenland is de jacht op vogels om te eten van oudsher een deel van het leven. De grootste onbekende is het warmer wordende noordpoolwater: het grote, vette roeipootkreeftje waarvan hij afhankelijk is wordt in het zuiden van zijn areaal vervangen door kleinere, magerdere soorten uit het zuiden, en het is niet duidelijk hoe lang hij daarop kan uitwijken.

Wetenschappelijke naam

Alle alle | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alca alle, bij de alken; omdat ze later in Alle is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alle werd in 1806 ingevoerd door Link, en omdat geslachts- en soortnaam gelijk zijn is dit een van de weinige vogelnamen die tweemaal hetzelfde woord dragen. Dat woord is geen Latijn maar een Noord-Europese streeknaam voor de ijseend; Linnaeus haalde de twee vogels door elkaar, en de naam bleef aan de kleine alk hangen. Als typelocatie gaf hij de zeeën van het arctische Europa en Amerika op; die is later beperkt tot Schotland.