Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › La Sagra's tiran
La Sagra's tiran | Myiarchus sagrae
La Sagra's Flycatcher | Copetón de La Sagra
La Sagra's tiran is de Myiarchus-tiran van Cuba, de Bahama's en Grand Cayman: bleker dan al zijn verwanten, met een vrijwel witte buik in plaats van geel en een vlakke, nauwelijks opgezette kruin. In Noord-Amerika is hij een zeldzame gast, vrijwel alleen in Zuidoost-Florida.
Geluid
De roep is een kort, opgewekt wiet, dat vaak wordt uitgebouwd tot een drielettergrepig wiet-ze-wier. Daarnaast klinkt een zoemend, rollend brrr. De Bahamaanse ondersoort lucaysiensis combineert de wiet-notities met rolletjes en mist het zuivere fluitelement van de Cubaanse vogels. Voor een dwaalgast in Florida is de roep het doorslaggevende kenmerk, omdat het verenkleed alleen zelden voldoende is.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · Cienaga de Zapata--San Tomas, Matanzas, Cuba · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen olijfbruin, kruin rookbruin en vlak — de kuif wordt zelden opgezet, waardoor het hoofd hoekig oogt. Het gezicht is asgrijs, keel en borst bleek asgrijs, en de buik wit tot flauw crèmegeel; bij goed licht ontbreekt het duidelijke geel dat de meeste Myiarchus-soorten hebben. De handpennen hebben dunne roestkleurige zomen, de armpennen bleke grijswitte zomen die twee vage vleugelstrepen vormen. Roest in de staart is beperkt; bij lucaysiensis zit het vooral op de buitenste staartpennen. Snavel, poten en iris zijn donker.
Verwarringssoorten
De grote kuiftiran, in Florida de gewone soort, is groter, heeft een duidelijk gele buik, veel meer roest in staart en vleugel en roept een stijgend wiep!. De grijskeeltiran, in Florida een zeldzame wintergast, heeft eveneens bleke onderdelen, maar een bleekgele buik in plaats van wit, méér roest in de staart met een donkere eindzoom aan de buitenste staartpen, en een droge ka-brick-roep tegenover het heldere wiet-ze-wier. De stoere tiran van Hispaniola en Jamaica werd vroeger als dezelfde soort beschouwd; die valt buiten het gidsgebied, maar het onderscheid tussen beide berust vooral op roep en staartpatroon.
Leefgebied
Bos en struweel van zeeniveau tot ongeveer 1500 meter: Caraïbisch dennenbos, hardhoutbos, gemengd naald- en loofbos, mangrove, kustschraalland en verruigde randen. Op de Bahama's is de dennenbosgordel van Grand Bahama, Abaco, Andros en New Providence het kerngebied. De soort gebruikt ook tuinen en parken met opgaande bomen. Hij jaagt vanaf een open zitplaats halverwege het kroondak en plukt insecten van blad en tak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel zonder trek: Cuba met Isla de la Juventud, de noordelijke Bahama's en Grand Cayman, elk met een eigen vorm. Er is geen seizoensverplaatsing van betekenis. In de Verenigde Staten gaat het om een zeldzame gast: sinds de vroege jaren tachtig duiken vrijwel jaarlijks enkele vogels op in Zuidoost-Florida en op de Florida Keys, in de winter en het vroege voorjaar, waarschijnlijk afkomstig van de Bahama's. Uit Alabama is één geval bekend, zonder vervolg.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
In Florida is december tot april de periode waarin de meeste vogels worden vastgesteld; kustbosjes en parken in Miami-Dade, Broward en de Keys leveren de meeste gevallen. Wacht op de roep en niet op het verenkleed: het ontbreken van geel op de buik lijkt een duidelijk kenmerk, maar bleke grijskeeltirannen in de winter zien er in het veld vergelijkbaar uit. Neem het geluid op als dat kan.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC), met een groot eilandareaal; de populatiegrootte is niet vastgesteld en de trend wordt als afnemend beoordeeld. Op de kleinere eilanden is de soort gevoelig voor verlies van bos, zowel door orkanen als door ontginning. De Bahamaanse dennenbossen, met hun eigen ondersoort, zijn daarbij het kwetsbaarste deel van het areaal.
Wetenschappelijke naam
Myiarchus sagrae | (Gundlach, 1852)
Juan Gundlach beschreef de soort in 1852 als Muscicapa sagrae, naar aanleiding van een eibeschrijving uit Cuba; omdat ze later naar Myiarchus ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiarchus komt van het Griekse muia 'vlieg' en arkhos 'heerser'. De soortnaam eert Ramón de la Sagra, de Spaanse natuuronderzoeker die de vogel als eerste bekendmaakte en wiens werk over Cuba de basis legde voor de kennis van de eilandfauna.




