Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Cayennetiran
Cayennetiran | Myiarchus tyrannulus
Brown-crested Flycatcher | Copetón Tiranillo
De cayennetiran is de grootste Myiarchus-tiran van het gidsgebied: een holenbroeder met grijsbruine kuif, grijze keel en gele buik, die in het zuidwesten van de Verenigde Staten in saguaro (de grote zuilcactus van de Sonorawoestijn)-cactussen en oeverbossen broedt. Het areaal loopt van Californië en Texas door tot in Argentinië.
Geluid
De roep is een scherp, vloeiend wiep of hwiet, vaak in korte reeksen, en daarnaast een rauw, schurend geratel. Kenmerkend is een tweelettergrepig wee-berg, dat in de dageraadszang wordt afgewisseld met snelle reeksen hwiet-notities. Die dageraadszang begint voor zonsopgang en houdt een half uur aan. Omdat de Myiarchus-soorten onderling nauwelijks verschillen in verenkleed, is het geluid het bruikbaarste kenmerk.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Brejo do tricolino oliváceo - Campestre de Goiás, Brazil · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen lichtbruin tot olijfgrijs, met een donkerder gestreepte kruin die als een borstelige kuif overeind kan staan. Keel en bovenborst zijn lichtgrijs, de buik is helder geel; de overgang tussen beide is vrij scherp. De handpennen hebben roestkleurige zomen, de armpennen bleke zomen, samen twee vleugelstrepen. De staart toont van onderen roestbruine binnenvlaggen. De snavel is zwart, lang en zwaar, met een duidelijke haak aan de punt; de ondersoort magister van het zuidwesten is de grootst gesnavelde.
Verwarringssoorten
De grijskeeltiran is kleiner en heeft een merkbaar kleinere snavel, een flauwere overgang van grijze borst naar bleekgele buik, en meestal méér roest in de staart; de roep is een droog ka-brick tegenover het heldere wiep van de cayennetiran. De monnikskaptiran is duidelijk kleiner, heeft een slankere snavel, weinig roest in de staart en roept een langgerekt, dalend, klagend pieeeuw. De grote kuiftiran, in Texas de enige andere grote soort, heeft een dieper gele buik, een sterker rossige staart en roept een stijgend wiep! dat korter en scherper is. Snavelmaat en staartpatroon helpen, maar bij zwijgende vogels blijft de determinatie vaak open.
Leefgebied
Holen zijn de beperkende factor: de soort broedt in oude spechtengaten en natuurlijke holtes in saguaro, mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), netelboom en populier. In Arizona zijn dat de saguaro-woestijn en de populieren-wilgenbossen langs de Santa Cruz en de San Pedro; in Zuid-Texas mesquite- en doornstruweel langs rivieren. Zuidelijker gebruikt hij doornbos, loofbos en open eikenland, van zeeniveau tot ongeveer 2000 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuidwest-Californië, Zuid-Nevada, Zuidwest-Utah, Arizona, Zuidwest-New Mexico en Zuid-Texas; in Texas liggen de hoogste dichtheden van de Verenigde Staten in Jim Hogg en Brooks County. De vogels arriveren daar begin maart en vertrekken half september. Vanaf Noord-Mexico is de soort standvogel, met een doorlopend areaal langs beide kusten, over het Yucatán-schiereiland en door Midden-Amerika naar Zuid-Amerika tot in Argentinië. In Louisiana en Florida zijn dwaalgasten vastgesteld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en juni in de saguaro-woestijn bij Tucson of langs de Rio Grande: de vogel zit hoog en open op een cactusarm of dode tak en keert na een uitval naar dezelfde zitplaats terug. Ga op geluid af — het luide wee-berg voor zonsopgang wijst hem aan voordat je hem ziet, en dat is betrouwbaarder dan het verenkleed.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC); het areaal is groot en de populatie lijkt toe te nemen. In de Verenigde Staten broedt hij grotendeels in beschermd gebied. Verlies van oude bomen en saguaro's met holtes is het knelpunt, omdat de soort zelf geen holte kan uithakken en afhankelijk is van grote spechten. Een geringde vogel bereikte een leeftijd van minstens elf jaar.
Wetenschappelijke naam
Myiarchus tyrannulus | (Müller, 1776)
Statius Müller beschreef de soort in 1776 als Muscicapa tyrannulus; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiarchus komt van het Griekse muia 'vlieg' en arkhos 'heerser', dus 'vliegenheerser'. De soortnaam tyrannulus is een verkleinvorm van het Latijnse tyrannus, 'kleine tiran'. Het beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, in Frans-Guyana, vandaar de Nederlandse naam.




