Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Laaglandlevertangare
Laaglandlevertangare | Piranga flava
Hepatic Tanager | Piranga bermeja
De laaglandlevertangare is de tangare van het dennen-eikenbos in de bergen van het zuidwesten van de Verenigde Staten en van Mexico. Het mannetje is baksteen- tot roestrood in plaats van helder rood, met een grijze waas op wang en flank en een donkere snavel — de combinatie die hem van de twee andere rode tangaren scheidt.
Geluid
De zang is een reeks korte, ronde fluitfrases met pauzes ertussen, drie tot vier seconden lang, in toon het meest op de zang van een lijster lijkend en minder schor dan die van de zwartvleugeltangare. De roep is een kort, laag, afgeknepen tsjuk of tuk, één noot tegelijk en zonder het geratel van de zomertangare; in vlucht klinkt daarnaast een zacht, schril wenk.
Opname: Paul Molina Abril — CC BY-NC-SA 4.0 · Azuay: upper Yunguilla Valley, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is grijzig baksteenrood, het diepst op kruin, keel en borst, met een duidelijk grijze waas over de oorstreek en de flanken; de rug is doffer rood met grijs erdoorheen. Het vrouwtje is olijfgeel van boven en geel van onderen, met dezelfde grijsachtige oorstreek. De snavel is bij beide geslachten donker en robuust, met een lichte hoek of tandje in de snijrand van de bovensnavel. De vogel foerageert traag en methodisch tussen het gebladerte, meestal binnen in de kroon, en valt daardoor ondanks de kleur weinig op.
Verwarringssoorten
De zomertangare is roze- tot aardbeirood zonder grijs, en heeft een bleke hoornkleurige snavel; dat snavelverschil werkt ook bij de vrouwtjes, waarbij het vrouwtje van deze soort bovendien grijsachtige oorveren heeft. De zwartvleugeltangare heeft bij het mannetje zwarte vleugels en staart en zit in loofbos in het oosten. De louisianatangare heeft twee gele of witte vleugelstrepen. De bloedtangare is oranjeroder en heeft een gestreepte rug, twee witte vleugelstrepen en een donkere omlijning van de oorstreek.
Leefgebied
Open bergbos met dennen, of dennen en eiken door elkaar, doorgaans tussen 1500 en 2500 meter in het noordelijke deel van het areaal; ook jeneverbes-pinyonbos aan de onderrand en droog eikenbos in canyons. Hij zit hoger en droger dan de zomertangare, die in dezelfde bergen de rivierbossen in de dalbodem bezet. In Mexico en zuidelijker gebruikt hij ook lager gelegen open bos en bosrand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Binnen de Verenigde Staten broedt hij in de bergen van Arizona en New Mexico, plus West-Texas en enkele plekken in het zuiden van Utah, Colorado en Nevada; de noordgrens is sinds de jaren zestig geleidelijk opgeschoven. Deze vogels zijn zomervogels en verlaten het land in de winter. Vanaf Noord-Mexico zuidwaarts is de soort in het bergland grotendeels standvogel, door heel Mexico en Midden-Amerika tot Nicaragua en verder tot in Zuid-Amerika. De populaties verschillen sterk en worden door sommige lijsten als aparte soorten behandeld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem van mei tot augustus in de dennen-eikencanyons van Zuidoost-Arizona, boven de hoogte waar de zomertangare stopt. Let op de roep: één droge tsjuk is deze soort, een ratelend pit-ti-tuk de zomertangare. Kijk bij een rood mannetje naar de snavel en de wang — donkere snavel en grijze wang zijn hier het bewijs.
Staat van instandhouding
De soort in ruime zin is niet bedreigd (LC) en is in de Verenigde Staten in de laagste zorgcategorie ingedeeld; het areaal is daar sinds de jaren zestig noordwaarts uitgebreid. Ze is in de Verenigde Staten weinig onderzocht: tot 2002 waren er in het land nog maar 106 vogels geringd. Grootschalige bosbranden en de omvorming van open dennen-eikenbos in het grensgebergte zijn de belangrijkste factoren voor het noordelijke deel van de populatie.
Wetenschappelijke naam
Piranga flava | (Vieillot, 1822)
Vieillot beschreef de soort in 1822 als Saltator flavus, naar een exemplaar uit Paraguay; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Piranga gaat terug op het Tupi-woord tijepiranga. De soortnaam flava is Latijn voor 'geel', naar het vrouwtje van de zuidelijke populatie. De Engelse naam Hepatic betekent 'leverkleurig', naar het donker roodbruine mannetje; de Nederlandse naam volgt de opvatting waarin de noordelijke vogels bij de laaglandsoort worden gerekend, terwijl andere lijsten ze als Piranga hepatica apart houden.




