Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Zwartvleugeltangare

Zwartvleugeltangare | Piranga olivacea

Scarlet Tanager | Piranga escarlata

De zwartvleugeltangare broedt in het oude loofbos van het oosten van Noord-Amerika en overwintert in de bergbossen aan de oostrand van de Andes. Het mannetje is in het voorjaar scharlakenrood met zwarte vleugels en staart; na de broedtijd ruit het naar geelgroen, waarbij alleen de zwarte vleugels blijven.

Zwartvleugeltangare (Piranga olivacea)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een gehaaste reeks van vier tot vijf op- en neergaande frases met een schorre, gebarsten klank, ongeveer als een roodborstlijster met een schorre keel. De roep is het kenmerk waar je het meest aan hebt: een kort, hard tsjip-boerr, met de tweede lettergreep omlaaggetrokken en rauw. Die roep verraadt de vogel ook in het najaar, wanneer het kleed niets meer zegt.

Luister: ZangXC1145165

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Durham, Durham County, North Carolina, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is helder scharlakenrood met diepzwarte vleugels en staart — het scherpste kleurcontrast onder de tangaren van het gebied. Het vrouwtje is geelgroen van boven, geler van onderen, met donker olijfbruine vleugels en staart. Vanaf eind zomer ruit het mannetje naar het groengele kleed van het vrouwtje, maar de vleugels en de staart blijven zwart; vogels midden in die rui zijn bont rood-groen gevlekt. De snavel is korter en stomper dan bij de zomertangare en licht hoornkleurig tot grijsgeel.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de zomertangare is rood tot in vleugels en staart en heeft een bleke, zwaardere snavel. De louisianatangare heeft een rode kop tegen een geel lichaam en twee vleugelstrepen. In het najaar zijn de verschillen het kleinst: een groene tangare met zwarte vleugels en zwarte staart is deze soort, met olijfbruine vleugels de zomertangare, en met vleugelstrepen de louisianatangare. Bij twijfel geeft de roep uitsluitsel: het rauwe tsjip-boerr tegenover het ratelende pit-ti-tuk.

Leefgebied

Grote, aaneengesloten stukken volgroeid loofbos en gemengd bos, met eik, beuk, esdoorn en hemlock; hij zit hoog in de kroon en komt zelden laag. Bossnippers van minder dan enkele tientallen hectaren worden slecht bezet, en juist in versnipperd bos is het broedsel het kwetsbaarst. Tijdens de trek is hij minder kieskeurig en komt hij ook in stadsparken, tuinen en kustbosjes voor. Overwintert in bergbos en bosrand op de oosthellingen van de Andes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied ligt in het oosten van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada: van Zuidoost-Saskatchewan en Manitoba oostwaarts over Ontario en Quebec tot de Maritieme Provincies, en zuidwaarts tot Noord-Georgia, Noord-Alabama en Oost-Oklahoma, met het zwaartepunt in het Appalachengebied en de staten rond de Grote Meren. De trek loopt over het zuidoosten van de Verenigde Staten, het Caraïbisch gebied en de landengte van Midden-Amerika naar het noordwesten van Zuid-Amerika. Binnen dit gidsgebied is de soort in het najaar en voorjaar doortrekker aan de Golfkust, in Florida en op Cuba; overwinteren doet hij ruim buiten het gidsgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans op het rode mannetje is de eerste helft van mei, wanneer de bomen nog niet volledig in blad staan en de vogels zingend doortrekken langs de Grote Meren en de Golfkust. Zoek hem daarna hoog in de kroon en ga op de zang af: schor en gebarsten in plaats van helder. Kijk in september altijd naar de vleugel en niet naar de lichaamskleur.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en de populatie wordt op enkele miljoenen vogels geschat, met een stabiele tot licht dalende trend. De gevoeligheid voor versnippering is het belangrijkste punt: in kleine bosjes worden de nesten vaker geplunderd en vaker beparasiteerd door de bruinkopkoevogel, tegen wie deze soort geen afweer heeft ontwikkeld. Ook botsingen met verlichte gebouwen tijdens de nachtelijke trek en het verlies van bergbos in het overwinteringsgebied spelen mee.

Wetenschappelijke naam

Piranga olivacea | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tanagra olivacea; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Piranga gaat terug op het Tupi-woord tijepiranga, de naam van een kleine vogel in Brazilië. De soortnaam olivacea betekent 'olijfkleurig' en berust op een vrouwtje of een vogel in najaarskleed; een later gegeven naam erythromelas, 'rood-en-zwart', paste beter bij het mannetje, maar de oudere naam heeft voorrang. De Nederlandse naam benoemt de zwarte vleugels, die in elk kleed zichtbaar blijven.