Alle soortenZangvogelsKardinaalachtigen › Louisianatangare

Louisianatangare | Piranga ludoviciana

Western Tanager | Piranga carirroja

De louisianatangare is de tangare van het naaldbos in het westen van Noord-Amerika: een gele vogel met zwarte rug, zwarte vleugels en bij het mannetje een rood gekleurde kop. Hij broedt verder naar het noorden dan welke andere tangare ook, tot in Zuidoost-Alaska en de zuidelijke Northwest Territories, en trekt in de winter naar Mexico en Midden-Amerika.

Louisianatangare (Piranga ludoviciana)
Foto: Pacific Southwest Region USFWS — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks korte, schorre frases met pauzes ertussen, in ritme te vergelijken met die van de Amerikaanse roodborstlijster maar rauwer en eentoniger. De contactroep is een oplopend, twee- of drielettergrepig pit-er-ick, dat vaak het eerste is wat je van een hoog in de kroon zittende vogel hoort. Daarnaast klinkt een droog prit. Het mannetje zingt vanaf een tak in de bovenste helft van een conifeer, meestal zonder zich te verplaatsen.

Luister: ZangXC254618

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Four Mile Draw Rd, Custer State Park, South Dakota, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is geel op kop, borst, buik, nek en stuit, met zwarte mantel, zwarte staart en zwarte vleugels met twee vleugelstrepen: de bovenste breed en geel, de onderste smal en wit. De kop is oranjerood, het felst op voorhoofd en keel; die kleur komt uit rhodoxanthine dat de vogel uit zijn voedsel haalt en is buiten het broedseizoen veel zwakker. Het vrouwtje is geelgroen van onderen, grijsgroen op de rug, zonder rood, met dezelfde twee vleugelstrepen op donkergrijze vleugels. De snavel is dik, kegelvormig en bleek hoornkleurig.

Verwarrings­soorten

De zomertangare en de laaglandlevertangare hebben geen vleugelstrepen en bij het mannetje geen zwarte rug. De bloedtangare heeft een donker gestreepte rug, twee witte vleugelstrepen en witte punten aan de handpendekveren; vrouwtjes van beide soorten lijken sterk op elkaar, maar de bloedtangare heeft de rugstreping en de louisianatangare een effen grijsgroene rug. Bij de zwartvleugeltangare is het mannetje geheel rood met zwarte vleugels zonder duidelijke vleugelstrepen. Vrouwtjes en jonge vogels worden ook met de Amerikaanse wielewalen verward, maar die hebben een spitse, puntige snavel in plaats van een dikke kegelsnavel.

Leefgebied

Open naaldbos en gemengd bos in de bergen en langs de westkust, tot ongeveer 3000 meter: douglasspar, ponderosaden en lodgepoleden, en daarnaast populier- en wilgenbos langs beken. Dichte, gesloten opstanden worden gemeden; bosrand, brandvlakte en kapvlakte met overstaanders horen erbij. Tijdens de trek verschijnt hij ook in boomgaarden, parken en tuinen. In de winter zit hij in dennen-eikenbos, laag struweel en koffieplantages in Mexico en Midden-Amerika.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Zuidoost-Alaska, het zuiden van de Northwest Territories en Brits-Columbia zuidwaarts door het hele westen van de Verenigde Staten tot Noord-Baja California, en oostwaarts tot West-Texas, Centraal-New Mexico, Centraal-Colorado en West-South Dakota. De trek loopt in een breed front door het zuidwesten en langs de oostrand van de Rocky Mountains; op de Great Plains is de soort vooral doortrekker. Overwinteren doet hij van Zuid-Baja California en Zuidoost-Sonora tot Zuid-Tamaulipas en verder zuidwaarts door Midden-Amerika. Elk jaar komen er losse waarnemingen uit het oosten van het continent.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni hoog in de kroon van een ponderosaden of douglasspar, en ga op de roep af: het opgaande pit-er-ick verraadt hem voordat je hem ziet. Tijdens de voorjaarstrek is een geïsoleerd bosje of een stadspark in de woestijnstaten de beste plek, waar doortrekkers zich in kleine groepjes ophouden.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd te boek. Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 15 miljoen vogels, en de Breeding Bird Survey laat tussen 1966 en 2019 een toename zien. Aanhoudende houtkap van oud naaldbos en het verdwijnen van oeverbos langs beken verkleinen plaatselijk het broedgebied, terwijl in het overwinteringsgebied de omvorming van schaduwkoffie tot zonnekoffie het aanbod aan bomen vermindert. Botsingen met ramen en verlichte gebouwen tijdens de nachtelijke trek kosten jaarlijks vogels.

Wetenschappelijke naam

Piranga ludoviciana | (Wilson, 1811)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Tanagra ludoviciana, naar een exemplaar dat de expeditie van Lewis en Clark had verzameld; omdat ze later in Piranga is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Piranga gaat terug op tijepiranga, een Tupi-naam voor een kleine vogel in Brazilië, en werd in 1808 door Vieillot ingevoerd. De soortnaam ludoviciana betekent 'van Louisiana' — niet de huidige staat, maar het Franse koloniale Louisiana Territory, waar het type vandaan kwam; de Nederlandse naam volgt dat rechtstreeks.