Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Zomertangare
Zomertangare | Piranga rubra
Summer Tanager | Piranga roja
De zomertangare is de enige vogel van Noord-Amerika waarbij het volwassen mannetje over het hele lichaam rood is, tot in vleugels en staart. Hij broedt in open loofbos en dennen-eikenbos van het zuiden van de Verenigde Staten en overwintert van Mexico tot in Zuid-Amerika. Hij eet vooral bijen en wespen, die hij in de vlucht vangt.
Geluid
De roep is het meest bruikbare kenmerk: een droog, ratelend pit-ti-tuk of pik-tuk-i-tuk, dat geen andere tangare zo geeft. De zang van het mannetje bestaat uit een reeks heldere, vloeiende fluitfrases met een ronde toon, langer aaneengeregen en minder schor dan de zang van de zwartvleugeltangare, en eerder als die van een roodborstlijster. Hij zingt van hoog in de boomkroon, vaak verborgen tussen het blad.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Afton State Park, Washington County, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Het volwassen mannetje is over het hele lichaam aardbeirood, zonder zwart in vleugels of staart; het rood is wat doffer en meer roze dan het vuurrood van de zwartvleugeltangare. Het vrouwtje is geelgroen van boven en dieper geel tot okergeel van onderen. De snavel is bij beide geslachten groot, dik, stomp en bleek hoornkleurig — een duidelijk verschil met de kleinere, donkerder snavel van de verwante soorten. Ruiende jonge mannetjes zijn een lappendeken van geel en rood. De kop is groot en de vogel oogt gedrongen.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de zwartvleugeltangare heeft zwarte vleugels en staart tegen fel scharlaken; dat contrast ontbreekt hier volledig. De laaglandlevertangare is baksteen- tot roestrood in plaats van roze-rood, heeft een grijze waas op de wangen en de flanken en een donkere snavel. De louisianatangare heeft duidelijke vleugelstrepen. De noordelijke kardinaal heeft een kuif, een zwart gezicht en een rode snavel. Vrouwtjes onderscheid je vooral op snavelkleur en -vorm: bleek en zwaar bij de zomertangare, donkerder en fijner bij de andere.
Leefgebied
Open loofbos met gaten en randen, vooral eikenbos en dennen-eikenbos in het zuidoosten; ook oude beplantingen en ruime parken. In het zuidwesten zit hij vrijwel uitsluitend in de galerijbossen langs rivieren, met wilg, populier en tamarisk — een smalle strook groen midden in droog land. Gesloten, ononderbroken bos gebruikt hij minder dan de zwartvleugeltangare. Overwintert in tropisch bos, bosrand en koffieplantages met schaduwbomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat het zuidelijke tweederde van de Verenigde Staten, van Zuid-Californië, Arizona en New Mexico oostwaarts over Texas en de Golfstaten tot in New Jersey en zuidelijk New England, met de noordgrens rond de Grote Meren. De westelijke populatie in de rivierbossen staat los van het oostelijke areaal. De trek loopt in het oosten over de Golf van Mexico en het Caribisch gebied, in het westen door Mexico. Overwinterd wordt van Noordwest-Mexico en de Golfkust zuidwaarts door Midden-Amerika tot midden in Zuid-Amerika; binnen dit gidsvenster gaat het om de kustlaaglanden van Mexico en de landen tot Nicaragua.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het geratel van de roep is in het veld betrouwbaarder dan de kleur: leer het pit-ti-tuk en je hoort de vogel voor je hem ziet. Zoek in het zuidwesten in mei en juni langs de rivierbossen van de San Pedro of de Rio Grande. Kijk bij een rood ogende tangare eerst naar vleugel en staart: blijft het rood daar doorlopen, dan is dit de soort.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer twaalf miljoen vogels; de trend is sinds 1966 licht stijgend en de soort valt in de laagste zorgcategorie. In het westen is de situatie anders dan in het oosten: de galerijbossen langs rivieren zijn door waterwinning, dammen en begrazing sterk teruggelopen, waardoor de westelijke populatie op een dunne en versnipperde basis staat. In het overwinteringsgebied is schaduwkoffie voor deze soort bruikbaar bos.
Wetenschappelijke naam
Piranga rubra | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla rubra, naar een exemplaar uit wat nu South Carolina is; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Piranga werd in 1808 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op het Tupi-woord tijepiranga, de naam van een kleine vogel in Brazilië. De soortnaam rubra is Latijn voor 'rood'. De Nederlandse en de Engelse naam verwijzen naar het seizoen waarin de soort in Noord-Amerika aanwezig is.





