Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Noordse boszanger
Noordse boszanger | Phylloscopus borealis
Arctic Warbler | Mosquitero boreal
De noordse boszanger is de enige boszanger die geregeld in Noord-Amerika broedt, en hij doet dat alleen in het westen en midden van Alaska. Hij komt er laat, ratelt zes weken in het wilgenstruweel en is in augustus weer weg — westwaarts over de Beringzee, en niet zuidwaarts zoals vrijwel elke andere zangvogel van Alaska. Wie hem wil zien, moet dus in juni komen.
Geluid
De zang is een snelle, droge ratel op één toonhoogte, twee tot vier seconden lang, die eerder aan een insect of een naaimachine doet denken dan aan een zangvogel. Hij komt van de top van een wilg, waarna de vogel meteen weer in de struik zakt. De roep is een hard, kort dzik, als een vonk die overspringt, en dat geluid verraadt hem vaker dan de zang. In het Alaskaanse struweel klinkt niets anders zo: het roodkroonhaantje, de enige andere zanger die daar zo luid is, zingt juist buitelend en melodieus.
Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · Nome, Nome Census Area, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Elf tot dertien centimeter, en voor een boszanger stevig gebouwd: een grote kop, een brede snavelbasis en een korte staart. Van boven is hij olijfgrijs, van onderen vuilwit met een grauwe waas op de flanken. Het gezicht beslist: een lange geelwitte wenkbrauwstreep die van de snavel tot ver achter het oog doorloopt en aan het eind vaak iets omhoog krult, met daaronder een donkere oogstreep. Over de vleugel loopt meestal één smalle, vage streep, die in de loop van de zomer wegslijt. De ondersnavel is oranjeachtig met een donkere punt en de poten zijn bleek bruinroze; mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit.
Verwarringssoorten
In Alaska gaat het bijna altijd mis met de groene zanger (Leiothlypis celata): die is geler, heeft gele onderstaartdekveren, een dun spits snaveltje en nooit een vleugelstreep, en zijn gezicht mist de scherp getekende wenkbrauwstreep. Het roodkroonhaantje heeft een witte oogring, een brede witte vleugelstreep met daarachter een zwarte balk, en een minuscuul snaveltje. Op de eilanden in de Beringzee kan de kamtsjatkaboszanger (Phylloscopus examinandus) opduiken, die tot 2015 als dezelfde soort werd geteld; hij is te kennen aan zijn tragere, lagere zang en zijn iets langere snavel. Alle drie de gevallen zijn met geluid in één seconde opgelost en met beeld soms in geen tien minuten.
Leefgebied
Dicht wilgen- en dwergberkenstruweel langs beken, meeroevers en natte laagten, en de struikrijke overgang naar verspreid staande, kromgegroeide sparren. Hij heeft struiken van manshoogte nodig: kale toendra slaat hij over en gesloten bos ook. Het struweel moet bovendien vochtig zijn; op droge hellingen ontbreekt hij. In de overwinteringsgebieden in Zuidoost-Azië zit hij in bos, bosranden en oud struikland, van de kust tot hoog in de bergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in west- en midden-Alaska — het schiereiland Seward, de benedenloop van de Yukon en de Kuskokwim, en de uitlopers van de Alaska Range en de Brooks Range — en verder over Noord-Eurazië, van Scandinavië tot Kamtsjatka. In augustus vertrekt hij westwaarts over de Beringstraat en trekt daarna door Oost-Azië naar de Filipijnen, Indonesië en het Zuidoost-Aziatische vasteland. Die overwinteringsgebieden liggen buiten deze kaart; op de kaart staat daarom alleen zijn broedgebied in Alaska. In de rest van Noord-Amerika verschijnt hij niet, op een enkel najaarsgeval aan de kust van Californië na — hij deelt daarmee met de tapuit de eigenschap dat hij het werelddeel in de verkeerde richting verlaat.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De laatste week van juni op het schiereiland Seward, langs de wegen die vanuit Nome het binnenland in lopen: stop bij elk wilgenstruweel langs een beek en luister naar de ratel. Vóór ongeveer 5 juni is hij er nog niet; hij is een van de laatste vogels die in Alaska aankomen, en eind juli zingt hij al niet veel meer. Wacht na de eerste zang even af: de zanger komt om de paar minuten kort bovenop een wilg, en dat is het moment voor de wenkbrauwstreep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): wereldwijd gaat het om ruim tachtig miljoen vogels, waarvan er naar schatting 2,5 miljoen in Alaska broeden. De Alaskaanse stand is de laatste dertig jaar echter sterk afgenomen — genoeg om de soort op de lijst van gewone vogels in snelle achteruitgang te zetten. De oorzaken worden vooral in de overwinteringsgebieden gezocht, waar het bos in Zuidoost-Azië snel verdwijnt; wat de opwarming met zijn struweel in Alaska doet, is nog niet uitgezocht.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus borealis | (Blasius, 1858)
Blasius beschreef de soort in 1858 als Phyllopneuste borealis, naar een vogel van de Zee van Ochotsk; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie, uit het Griekse phullon, 'blad', en skopos, 'speurder': de vogel die het blad afzoekt. borealis is Latijn voor 'noordelijk'. De typelocatie is geen plaats maar een positie op zee — 59°38' noorderbreedte, 147°30' oosterlengte — omdat het eerste exemplaar aan boord van een schip werd verzameld.




