Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Bruine boszanger
Bruine boszanger | Phylloscopus fuscatus
Dusky Warbler | Mosquitero sombrío
De bruine boszanger is een kleine, egaal bruine Phylloscopus uit Siberië en Noordoost-Azië die zich laag in dekking ophoudt. In het gidsgebied is hij dwaalgast: vrijwel jaarlijks op de Beringzee-eilanden van Alaska, en in de herfst een enkele keer aan de kust van Californië.
Geluid
De zang is een eentonig, vlak fluitje: een korte reeks van dezelfde, licht dalende noot, met tussenpozen herhaald. Voor de waarnemer telt vooral de roep, een hard, droog tsjek dat aan het tikken van twee kiezels doet denken en dikwijls het enige is wat de vogel verraadt. Dwaalgasten roepen geregeld vanuit dekking zonder zich te laten zien.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Cabane Vauban (near Carolles), Manche, Normandie, France · xeno-canto
Herkenning
Klein en gedrongen, met een fijne, spitse snavel en betrekkelijk stevige, lichtbruine poten. Bovendelen egaal donker olijfbruin, zonder vleugelstreep of lichte vleugelvlek; onderdelen vuilwit met okerkleurige flanken en onderstaartdekveren. De lange, smalle, roomwitte wenkbrauwstreep loopt tot ver achter het oog en staat scherp tegen een donkere oogstreep. Onder het oog is een lichte rand zichtbaar. Beweegt zich laag en muisachtig, vaak op de grond of in ruigte, met veel staart- en vleugelbewegingen.
Verwarringssoorten
De bouw doet aan een tjiftjaf denken, maar de combinatie van een geheel ontbrekende vleugelstreep, bruine in plaats van groene bovendelen en een lange, naar achteren doorlopende wenkbrauwstreep is bepalend. De radde boszanger is roder bruin, heeft een kortere wenkbrauwstreep en een fijnere snavel. De siberische tjiftjaf heeft zwartere poten en roept een hoog, dun ieep in plaats van het harde tsjek. Amerikaanse zangers van dit formaat hebben vrijwel altijd geel of wit in het kleed of witte staartvlekken; de bruine boszanger heeft nergens een lichte vlek.
Leefgebied
Broedt in laag struweel langs de rand van taigaveen, in wilgen- en berkenstruweel langs rivieren, in natte zeggevelden en in bergstruweel tot boven de boomgrens. Overwintert in riet, struikgewas en ruigte langs waterlopen in Zuid- en Zuidoost-Azië. Dwaalgasten in Alaska en Californië zitten in laag struikgewas, tamarisk, brandnetelruigte en tuinhagen, vrijwel altijd dicht bij de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de Ob oostwaarts door Siberië tot Kamtsjatka en zuidwaarts tot Noord-Mongolië en Noordoost-China; de winter wordt doorgebracht van Noordoost-India en Nepal tot Zuid-China en Indochina. Binnen het gebied van deze gids gaat het uitsluitend om dwaalgasten. De meeste waarnemingen komen van St. Lawrence-eiland en de Aleoeten, in het late voorjaar en in de nazomer; in Californië gaat het om enkele gevallen per jaar, meestal in oktober langs de kust. Ook in West-Europa is de soort een vaste najaarsdwaalgast, wat aangeeft hoe ver deze vogel van zijn route kan raken.
Waar en wanneer kijken
Volg het geluid. In Gambell of op de Aleoeten betekent een hard, droog tsjek uit een moeraswilgenbosje of een afvalhoop dat je moet blijven staan tot de vogel even bovenop komt. Kijk dan eerst naar de vleugel: geen enkele lichte streep. Kijk pas daarna naar de lange wenkbrauwstreep achter het oog.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie is groot en het broedareaal uitgestrekt; de IUCN plaatst de soort in de laagste categorie en er zijn geen aanwijzingen voor afname. Noord-Amerika heeft geen eigen populatie: de vogels die hier opduiken zijn verdwaalde trekkers uit Azië, en hun aantal zegt meer over het aantal waarnemers op de eilanden dan over de soort. Verlies van riet- en oevervegetatie in het Aziatische overwinteringsgebied is de voornaamste druk.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus fuscatus | (Blyth, 1842)
Blyth beschreef de soort in 1842 als Phillopneuste fuscata, naar een vogel uit de omgeving van Calcutta; de plaatsing in een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Friedrich Boie, uit het Griekse phullon 'blad' en skopos 'speurder', dus 'bladzoeker'. De soortnaam fuscatus komt van het Latijnse fuscus 'donker, bruin'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam zeggen alle drie hetzelfde: een boszanger zonder groen.




