Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Roodbuikbuulbuul
Roodbuikbuulbuul | Pycnonotus cafer
Red-vented Bulbul | Bulbul cafre
De roodbuikbuulbuul komt uit Zuid-Azië en is als kooivogel over de wereld verspreid geraakt. In het gidsgebied leeft hij als exoot op Oʻahu, waar hij sinds het midden van de jaren vijftig gevestigd is, en in kleiner aantal in Zuid-Florida. De soort staat op de IUCN-lijst van honderd invasieve soorten met de grootste gevolgen.
Geluid
Luidruchtig en het hele jaar door te horen. De gewone roep is een helder, drielettergrepig fluitje dat in het Engels als ginger beer wordt weergegeven; daarnaast een scherp pik en een ratelende alarmroep. Bij het invallen op de slaapplaats en bij ontmoetingen tussen groepen klinkt langdurig gekwetter van meerdere vogels tegelijk.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Jumeirah Village Triangle, Dubai, United Arab Emirates · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer zo groot als een spreeuw, met een lange zwarte staart met witte punt en een korte kuif die de kop hoekig maakt. Kop, kuif en keel zijn zwart, de rest van het lichaam donkerbruin met een schubpatroon door lichte veerranden. De stuit is wit en de onderstaartdekveren zijn helder rood: dat zijn de twee kenmerken die bij een wegvliegende vogel het eerst opvallen. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit.
Verwarringssoorten
De roodoorbuulbuul, in Florida en op Hawaï eveneens als exoot aanwezig, heeft een hoge spitse zwarte kuif, een witte wang met een rode vlek erachter en witte onderdelen; beide soorten hebben rode onderstaartdekveren, maar de roodbuikbuulbuul is veel donkerder en mist de wangvlek. Van de treurmaina onderscheidt hij zich door de rode onderstaart, de witte stuit en het ontbreken van een gele oogvlek en witte vleugelvlekken.
Leefgebied
In het oorspronkelijke gebied droog struweel, open bos, vlakten en cultuurland. Op Hawaï en in Florida vooral tuinen, parken, straatbomen, boomkwekerijen en boomgaarden in en om de bebouwing; gesloten, hooggelegen inheems bos mijdt hij grotendeels en hij blijft in het laagland en in randzones.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Oorspronkelijk van Pakistan en India door Nepal en Bangladesh tot Myanmar en Zuidwest-China, met acht ondersoorten. Ingevoerd en gevestigd op Fiji, Samoa en Tonga, in Argentinië, in delen van het Midden-Oosten en op Oʻahu, waar in het midden van de jaren vijftig losgelaten kooivogels aan de basis stonden. Op de andere Hawaïaanse eilanden is hij niet gevestigd; op het eiland Hawaï zijn losse waarnemingen gedaan bij Hilo en aan de Konakust. In Florida bestaat sinds de jaren zestig een kleine populatie rond Miami. Nieuw-Zeeland roeide de soort in 1955 uit.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Op Oʻahu is hij vanaf een bank in een stadspark in Honolulu te zien; let op de witte stuit zodra hij van een straatboom wegvliegt. In Florida is de kans veel kleiner en beperkt tot enkele woonwijken in Miami-Dade. Bij zittende vogels ligt de kuif vaak plat — kijk dan naar de rode onderstaartdekveren onder de opgetilde staart.
Staat van instandhouding
In het oorspronkelijke gebied is de soort talrijk en de IUCN plaatst haar in de categorie niet bedreigd (LC). In het gidsgebied gaat het bij beheer niet om de soort zelf maar om haar gevolgen: op Oʻahu wordt de schade aan orchideeënkwekerijen op ongeveer 300.000 dollar per jaar geschat, en de vogel verspreidt zaden van invasieve planten zoals miconia, ivy gourd en kavakava haole. Hawaï heeft de soort aangemerkt als schadelijk wild, met een verbod op vervoer en loslaten, om vestiging op de andere eilanden te voorkomen.
Wetenschappelijke naam
Pycnonotus cafer | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Turdus cafer; de latere verhuizing naar een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam cafer is neolatijn voor 'van de Kaap': de typelocatie werd in navolging van Brisson foutief als Kaap de Goede Hoop opgegeven en is in 1930 gecorrigeerd naar Ceylon — de vogel heeft in zuidelijk Afrika nooit van nature geleefd. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Friedrich Boie, uit het Griekse puknos 'dicht' en noton 'rug', naar de dichte, haarachtige veren op nek en rug. De Nederlandse en Engelse naam noemen de rode onderstaartdekveren.





