Alle soorten › Zangvogels › Diksnavelmezen › Winterkoningmees
Winterkoningmees | Chamaea fasciata
Wrentit | Camea
De winterkoningmees is de stem van het Californische chaparral: een onopvallend bruingrijs vogeltje dat men bijna nooit ziet en op een ochtendwandeling twintig keer hoort. Hij is geen winterkoning en geen mees, en werd anderhalve eeuw lang van de ene familie naar de andere geschoven voordat hij zijn plaats kreeg. Het is de enige soort van zijn familie in Amerika.
Geluid
Man en vrouw zingen allebei, en zijn aan hun strofe uit elkaar te houden: het mannetje eindigt in een ratel, het vrouwtje breekt de reeks af vóór die ratel begint. Elke vogel houdt zijn eigen versie jarenlang aan, zodat een territorium met het oor te volgen is zonder dat er ooit een vogel wordt gezien. Er wordt in elke maand en op elk uur gezongen, met een duidelijke piek van februari tot mei. De roep is een droge, snorrende ratel, korter dan de zang, waarmee het paar in het struweel contact houdt en die ook bij onraad klinkt.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Picchetti Ranch Open Space Preserve, Santa Clara, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Veertien tot vijftien centimeter, dertien tot zestien gram, en zonder één opvallend kenmerk: egaal grijsbruin, in het noorden warmer bruin en in het zuiden grijzer. Op de vaalbeige borst staat een fijne, vage donkere streping, die vaak de enige tekening is. Het zekerste kenmerk van dichtbij is het oog: een bleke, roomwitte iris in een donker gezicht, die de vogel een strakke blik geeft. Man en vrouw zijn niet te onderscheiden; jonge vogels hebben nog een donker oog. Vliegen doet hij zelden en kort — een laag, fladderend sprongetje van de ene struik naar de volgende, waarna hij meteen weer weg is.
Verwarringssoorten
De struikmees (Psaltriparus minimus) is veel kleiner, grijzer en trekt in luidruchtige troepen door dezelfde struiken, met een donker oog en een veel korter snaveltje. De bewickwinterkoning (Thryomanes bewickii) heeft een witte wenkbrauwstreep, een dunne gebogen snavel en witte hoeken in de gebandeerde staart, en zingt luide, wisselende strofen. De californische struikgaai en de bruine towhee zijn allebei veel groter en zwaarder van snavel. Blijft er een klein bruin vogeltje met een lange staart over, dan beslist de bleke iris.
Leefgebied
Chaparral van chamise, manzanita en ceanothus, kustsalie op de zeeheuvels, ruigten van bramen en gifsumak langs beken, en overgroeide tuinen en parkranden in de Californische voorsteden. Wat hij vraagt is een struiklaag van een tot twee meter die van boven tot op de grond gesloten is; open grasland en gesloten bos gebruikt hij niet. Na een brand verdwijnt hij en keert hij pas terug als het struweel zich na een jaar of vijf tot tien weer heeft gesloten. Hij komt van de kust tot ongeveer vijftienhonderd meter voor, in het zuiden nog wat hoger.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel langs de westkust, van de hele kust van Oregon zuidwaarts door Californië ten westen van de Sierra Nevada tot in het noordwesten van Neder-Californië, ongeveer tot El Rosario op dertig graden noorderbreedte. De vlakte van de Central Valley en de woestijnen ten oosten van de bergen blijven leeg. Trekken doet hij niet, en de Columbia is hij nooit overgestoken: in Washington ontbreekt hij, terwijl hij aan de overkant van de rivier gewoon is. Houtkap in de kustketen opende in de twintigste eeuw jong struweel waarin hij landinwaarts en noordwaarts is opgeschoven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de ochtend stil aan de rand van een chaparralhelling staan en tel de zangers: binnen een paar honderd meter zitten er vaak vier of vijf. Zoeken heeft weinig zin, wachten wel — de vogel werkt zich langzaam om je heen door de struik en komt daarbij één of twee keer even in het open. Krijg je die halve seconde, kijk dan naar het oog en niet naar het verenkleed.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een geschatte wereldbevolking van 2,2 miljoen vogels. Sinds 1966 nemen de aantallen met ongeveer een half procent per jaar af, samen ruim een derde. De oorzaak is de bebouwing van juist die kuststrook waarin hij thuishoort: waar struweel verdwijnt blijven losse snippers over, en omdat hij open terrein van meer dan honderd meter niet oversteekt, raakt zo'n snipper hem kwijt zonder dat hij er ooit terugkomt.
Wetenschappelijke naam
Chamaea fasciata | (Gambel, 1845)
Gambel beschreef de soort in 1845 als Parus fasciatus, bij de mezen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Datzelfde geslacht, Chamaea, voerde hij twee jaar later zelf in, uit het Griekse chamai, 'op de grond', naar een vogel die zich zelden boven de struiken vertoont. fasciata is Latijn voor 'gebandeerd', van fascia, 'band', naar de vage streping op de onderzijde. Het beschreven exemplaar kwam uit Californië; Grinnell beperkte de typelocatie in 1932 tot Monterey.



