Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Olijfgors
Olijfgors | Arremonops rufivirgatus
Olive Sparrow | Cerquero oliváceo
De olijfgors is een gedrongen, olijfgroene grondvogel van doornstruweel en tropisch bos, die in de Verenigde Staten alleen in Zuid-Texas voorkomt. Hij blijft laag in dichte begroeiing en scharrelt in de strooisellaag, zodat je hem meestal eerst hoort. De kop is grijs met twee bruine kruinstrepen, wat hem van elke andere gors van de Rio Grande onderscheidt.
Geluid
De zang is een versnellende reeks licht muzikale, dalende tsip- of tsjew-notities die aan het eind in elkaar overlopen, vaak vergeleken met een metalen bal die op een betonnen vloer uitstuitert. Alleen het mannetje zingt, het hele jaar door maar het meest van februari tot juni. Daarnaast klinkt een scherp, droog tjik als contactroep en een hoog, ijl tsie. Het geluid komt vrijwel altijd uit ondoordringbaar struweel.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · La Soledad, Santa María Jacatepec, Oaxaca, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen effen olijfgroen, zonder streping of vleugelstrepen; onderdelen vuilwit tot beige, met olijfgroene flanken en een gele vlek op de vleugelbocht. De kop is grijs met over de kruin een brede grijze middenstreep tussen twee roodbruine zijstrepen, en een dunne bruine oogstreep. De snavel is stevig en kegelvormig, de poten zijn stevig en roze, de staart is vrij lang en afgerond. De geslachten zien er gelijk uit.
Verwarringssoorten
Binnen het areaal in Texas is verwarring vooral mogelijk met vrouwtjes en jonge vogels van andere bosgorzen, maar geen daarvan heeft de combinatie van effen olijfgroene bovendelen zonder enige streping en twee roodbruine kruinstrepen. De groenstaarttowie heeft een roestrode kruin en een witte keel met zwarte kaakstrepen en zit verder westelijk in hoger terrein. In Midden-Amerika overlapt hij met de groenrugolijfgors Arremonops chloronotus, die zwarte in plaats van roodbruine kruinstrepen heeft en een scherper afgetekend koppatroon.
Leefgebied
Dicht, droog struweel met een gesloten onderlaag en een open bodem met strooisel: mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes)- en doornstruweel van de benedenloop van de Rio Grande, kreupelhout langs kreken en de ondergroei van tropisch loofbos. Ook overhoeken en verwaarloosde citrusaanplant met voldoende dekking. Open, korte vegetatie en bebouwd terrein worden gemeden; de soort is vrijwel altijd binnen een paar meter van de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van de benedenloop van de Rio Grande in Zuid-Texas zuidwaarts langs de Golfhelling door Tamaulipas, Nuevo León, San Luis Potosí, Veracruz en het schiereiland Yucatán, en langs de Pacifische helling van Guerrero en Oaxaca tot in Midden-Amerika. Er zijn acht ondersoorten, die onderling verschillen in de kleur van kruin en onderdelen en in gescheiden gebieden voorkomen. De soort trekt niet; elk gebied is het hele jaar bezet. De verdeling over de Mexicaanse deelstaten is hier uit de arealenbeschrijving afgeleid.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Zuid-Texas geeft een ochtend in maart of april in een reservaat als Santa Ana of Bentsen de grootste kans. Ga op een pad door dicht struweel staan en wacht op de stuiterende zangreeks; loop er dan langzaam naartoe en kijk naar de grond onder de struiken, niet erboven. Hij kruist regelmatig een pad in een lage, korte vlucht, en dan is het olijfgroen zonder streping meteen te zien.
Staat van instandhouding
De IUCN houdt de soort op niet bedreigd (LC) en schat de populatie op ongeveer 4,8 miljoen volwassen vogels, met een stabiele trend. In Texas volgde na het grootschalig ontginnen van doornstruweel in de twintigste eeuw een afname, maar sinds de jaren tachtig zijn de aantallen daar stabiel. Het herstel van struweel in de reservaten langs de benedenloop van de Rio Grande levert nieuw broedterrein op; strenge vorst en langdurige droogte kunnen plaatselijk aantallen terugzetten.
Wetenschappelijke naam
Arremonops rufivirgatus | (Lawrence, 1851)
Lawrence beschreef de soort in 1851 als Embernagra rufivirgata; door de latere plaatsing in Arremonops staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam is gevormd uit Arremon, een verwant geslacht, en het Griekse ops 'gezicht, voorkomen', dus 'op Arremon gelijkend'. De soortnaam rufivirgatus komt van het Latijnse rufus 'roodbruin' en virgatus 'gestreept', naar de twee kruinstrepen. Het type kwam van de Rio Grande bij Brownsville in Texas.



