Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roestvleugelgors
Roestvleugelgors | Peucaea carpalis
Rufous-winged Sparrow | Chingolo alirrufo
De roestvleugelgors is een grijsbruine grondgors van de Sonorawoestijn die in de Verenigde Staten vrijwel alleen in Zuid-Arizona voorkomt, rond Tucson en langs de grensvalleien. Hij blijft het hele jaar in hetzelfde struweel en broedt pas als de zomermoesson is gevallen.
Geluid
Alleen het mannetje zingt, en anders dan de meeste gorzen doet hij dat in elke maand van het jaar. De zang begint met twee of drie losse, heldere aanzetnoten en gaat over in een droge, snelle triller: tsjip tsjip tsjieeer-r-r-r. De roep is een dun tseet of een kortere pip, en paren houden contact met een zacht tslip. Na de eerste zware moessonbui neemt het zingen sterk toe; dat is het teken dat het broedseizoen begint.
Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · Proctor Road, Madera Canyon, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een slanke gors met een lange staart, een bleke, roze- tot hoornkleurige snavel en een grijs gezicht. De kruin is roestbruin met een dunne grijze middenstreep, en achter het oog loopt een roestbruine streep. De onderdelen zijn effen grijswit, zonder strepen. Twee kenmerken maken hem thuis: aan de vleugelbocht zit een kaneelroodbruine schoudervlek, en van de keel loopt aan weerszijden een donkere baardstreep omlaag — twee streepjes, geen één. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels hebben een gestreepte borst.
Verwarringssoorten
Het grijze gezicht en de roestkruin geven verwarring met de roestkruingors, maar die heeft één donkere baardstreep in plaats van twee, een dieper grijs gezicht, geen roestrode schoudervlek en zit op stenige hellingen in plaats van in mesquitestruweel. De musgors in zomerkleed heeft een zwarte oogstreep, een witte wenkbrauwstreep en geen roest op de vleugelbocht. Botteri's gors is groter, bruiner en gestreept van boven, zonder roestkruin en zonder schoudervlek.
Leefgebied
Woestijnstruweel met mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), acacia, andere doornstruiken en cholla, altijd met een laag polvormig bunchgras eronder — grasland zonder struiken of struweel zonder gras gebruikt hij niet. Hij komt ook voor langs droge beeklopen, bij irrigatiekanalen en in wasbeddingen met tamelijk hoge struiken. In Mexico bewoont hij vergelijkbaar doornstruweel tot in de kuststreek van Sinaloa.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal is klein en aaneengesloten: van het dal van de Santa Cruz en de San Pedro bij Tucson zuidwaarts door Sonora tot in Sinaloa. In Arizona is hij plaatselijk en niet talrijk; de grens van het areaal ligt ruwweg bij Phoenix. Trek is er niet — de vogels blijven jaarrond in hetzelfde struweel, en de aantallen schommelen met de regenval. In de jaren 1880 en 1890 verdween hij uit het gebied rond Tucson na zware overbegrazing en droogte; pas na 1930 werd hij daar weer regelmatig vastgesteld.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli of augustus, kort na de eerste moessonbuien: dan zingt het mannetje vanaf een mesquitetop en is hij van veraf te horen. Buiten die periode blijft hij laag in het struweel. Let bij elke grijsgezichtgors in Zuid-Arizona eerst op de keel: twee donkere baardstrepen wijzen op deze soort, één op de roestkruingors.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 200.000 volwassen vogels en de trend is dalend. De soort is gebonden aan de combinatie van doornstruweel en inheems bunchgras, en die combinatie verdwijnt door stadsuitbreiding rond Tucson, door begrazing en door de opmars van het uitheemse buffelgras, dat branden voedt waar mesquite en cholla niet tegen kunnen. Het areaal in de Verenigde Staten is klein genoeg om een regionale achteruitgang zichtbaar te maken in de landelijke tellingen.
Wetenschappelijke naam
Peucaea carpalis | Coues, 1873
Elliott Coues beschreef de soort in 1873 naar een exemplaar uit Tucson, Arizona, en plaatste haar meteen in Peucaea; daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam Peucaea gaat terug op het Griekse peukē 'den' en verwijst naar het dennenbos waarin de eerste soort van het geslacht, de dennengors, werd aangetroffen. De soortnaam carpalis komt van het Latijnse carpus 'pols' en slaat op de roestrode veren aan de vleugelbocht — dezelfde eigenschap die de Nederlandse en Engelse naam opleveren.



