Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Paarse strandloper
Paarse strandloper | Calidris maritima
Purple Sandpiper | Correlimos oscuro
De paarse strandloper overwintert verder naar het noorden dan enige andere waadvogel ter wereld: donker leigrijs, met oranje poten en snavelbasis, op rotsen die de branding blijft beuken. Hij is zo gehecht aan harde kust dat je hem vrijwel nooit op zand of slik ziet.
Geluid
Baltsende mannetjes hebben een rollende, gorgelende zang van herhaalde motieven, in een vlucht die fladderen en glijden boven de toendra afwisselt. Op de winterrotsen is hij bijna zwijgzaam: wat je hoort is een schor, piepend kie of kier als een groepje opvliegt, en een laag kip in de vlucht. Bij verstoring volgt een dalend, kakelend geratel. Op een golfbreker in december hoor je hem meestal pas als de vogels al langs zijn.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Île-de-Sein, Finistère, Bretagne, France · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, kortpotige strandloper met een vrij lange, licht gebogen snavel, oranje aan de basis en donker aan de punt. In winterkleed egaal leigrijs op kop, borst en rug, met een witte buik en fijn gestreepte flanken; bij goed licht ligt er een violette glans op de vleugelveren, waaraan hij zijn naam dankt. De dof oranjegele poten zijn op afstand het beste kenmerk. In broedkleed is hij warmer, met roestbruine veerranden en zware donkere spikkels op borst en flanken; jonge vogels hebben lichte veerzomen die de rug geschubd doen lijken. In vlucht toont hij een smalle witte vleugelstreep en een donker staartmidden.
Verwarringssoorten
De beringstrandloper (Calidris ptilocnemis) van de Grote Oceaan is zijn evenbeeld, maar de arealen raken elkaar nergens: die heeft in broedkleed een zwarte buikvlek en een bruine oorvlek. De bonte strandloper (C. alpina) deelt in de winter dezelfde kusten, maar is bruiner, langpotiger en heeft een langere, sterker gebogen zwarte snavel zonder oranje basis. De steenloper staat vaak in hetzelfde groepje op dezelfde rots, maar is veel bonter en korter van snavel. Bij een donkere strandloper op een golfbreker kijk je dus eerst naar de poten en de snavelbasis.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
In de winter uitsluitend hard substraat: rotskusten, kliffen, pieren, golfbrekers en met wier begroeide steenstort, in de strook die het tij net heeft vrijgegeven. Zand en slik mijdt hij, en een estuarium bezoekt hij hooguit terloops. Hij broedt op kale, mos- en korstmosrijke toendra van arctische en hooggelegen kusten, vaak op stenige ruggen. Het aantrekkelijke van een golfbreker is niet de steen maar de mossel: waar zeepokken, alikruiken en mosselen groeien, staat hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt op de arctische eilanden van Canada van Banks tot zuidelijk Ellesmere en Baffin en in Groenland, en oostwaarts door arctisch Europa en Rusland tot het schiereiland Taimyr. In Noord-Amerika overwintert hij op rotskusten van Labrador en de Golf van Sint-Laurens zuidwaarts tot North Carolina — noordelijker dan welke andere waadvogel ook. Aan de Grote Meren duikt hij in de late herfst jaarlijks in kleine aantallen op, op pieren en havenhoofden. Het aantal dat de oostkust bereikt lijkt in de laatste decennia terug te lopen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen november en maart op een golfbreker, pier of rotspunt aan de Atlantische kust, het liefst rond laagwater, als de wierzoom vrijkomt. Kijk laag en dicht bij het schuim: de vogels lopen tussen de brekende golven door en verdwijnen telkens achter een steen. Ze zijn weinig schuw — blijf op één plek staan en ze eten vaak op enkele meters afstand rustig door.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en talrijk in het noorden, maar moeilijk te tellen: de Noord-Amerikaanse populatie wordt op ongeveer 25.000 vogels geschat, de wereldpopulatie op enkele honderdduizenden. De trend lijkt dalend en de soort staat op de gele aandachtslijst van Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming). Olie op de rotskust, verontreiniging en struweel dat over de broedtoendra opschuift zijn de zwaarste bedreigingen; een stijgende zeespiegel maakt de smalle strook waar hij eet nog smaller.
Wetenschappelijke naam
Calidris maritima | (Brünnich, 1764)
Brünnich beschreef de soort in 1764 als Tringa maritima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam voor een grijze vogel van de waterkant. maritima is Latijn voor 'van de zee' en slaat op de kust waar hij de winter doorbrengt. De typelocatie is Christiansø en Noorwegen; Morten Thrane Brünnich was een Deense zoöloog die de vogels van het hoge noorden beschreef.



