Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Prairiemeeuw

Prairiemeeuw | Larus californicus

California Gull | Gaviota californiana

De prairiemeeuw is de meeuw van het droge westen: hij broedt op kale eilandjes in zoutmeren en spaarbekkens ver van zee, en trekt pas na het broedseizoen naar de Grote Oceaan. In Utah is hij staatsvogel, omdat volgens de overlevering zwermen meeuwen in 1848 de sprinkhanen wegvraten die de eerste oogst van de kolonisten bedreigden; in Salt Lake City staat er een monument voor.

Prairiemeeuw (Larus californicus)
Foto: Frank Schulenburg — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is schor en krassend, een reeks van aauw-tonen met daartussen een laag uh-uh-uh, in toonhoogte precies tussen de hoge ringsnavelmeeuw en de zware Amerikaanse zilvermeeuw in. De lange roep begint met gebogen hals en gaat over in luide kreten terwijl de kop steil omhoog komt. Bij het nest hoort men de klokkende roep, met de borst op de grond en de kop op en neer, en bij gevaar een reeks scherpe ha-ha-ha-tonen vanuit de vlucht. In een grote kolonie gaat het geroep de hele nacht door.

Luister: RoepXC571013

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Bear River Migratory Bird Refuge, Box Elder County, UT, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote meeuw met een middengrijze mantel, witte kop en zwarte vleugelpunten met witte spiegels; de beste combinatie is die van het donkere oog, de geelgroene poten en de snavel, die geel is met zowel een zwarte band als een rode vlek. In de winter zijn kop en hals fijn bruin gestreept, met de meeste tekening in de nek. De snavel is slanker en de vleugel langer dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw, wat de vogel in de vlucht een langgerekter silhouet geeft. Eerstejaars vogels zijn gelijkmatig bruin gevlekt met roze, zwart getipte snavel en roze poten; in het tweede jaar komt er grijs op de rug en worden de poten blauwgrijs, en het volwassen kleed is er in het vierde jaar. Man en vrouw zijn gelijk getekend.

Verwarrings­soorten

De ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) is kleiner en lichter van mantel, heeft een bleek oog en gele poten, en draagt een schone zwarte ring om de snavel zonder rode vlek. De Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) is groter en zwaarder, met roze poten en een bleek oog. De Amerikaanse stormmeeuw (Larus brachyrhynchus) is veel kleiner, met een klein, ongetekend geel snaveltje en een zachte, duifachtige kop. De Californische meeuw (Larus occidentalis) van de kust is fors gebouwd, donkerder van mantel, roze van poot en heeft een dikke snavel met een uitpuilende hoek. Onthoud voor de volwassen vogel de drie kenmerken samen: donker oog, geelgroene poten, en zwart én rood op de snavel.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Om te broeden gebruikt hij kale, laag begroeide eilanden en dijken in zoutmeren, alkalimeren en spaarbekkens van het binnenland, van zeeniveau tot hoog in de bergen. Om te eten vliegt hij tot tientallen kilometers ver naar akkers, weiden, sprinkhanenzwermen, vuilstortplaatsen en de graslanden bij bebouwing. Buiten de broedtijd is hij een kustvogel: zandstranden, slikplaten, riviermondingen, havens en de branding zelf. Diep bos en gesloten landschap komt hij niet in.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt in het binnenland van westelijk Noord-Amerika, van Great Slave Lake en de prairieprovincies zuidwaarts tot de Great Salt Lake in Utah en Mono Lake in Californië, met de grootste kolonies op de eilanden in die zoutmeren. Vanaf juli trekken de vogels westwaarts naar de Grote Oceaan, waar ze overwinteren van Brits-Columbia tot Neder-Californië en de westkust van Mexico. De soort heeft zich gevestigd aan de baai van San Francisco: van vierentwintig vogels in 1980 groeide de kolonie daar tot meer dan vijftigduizend rond 2014. Enkelingen bereiken jaarlijks de staten aan de oostkant van de Rocky Mountains, maar het zwaartepunt ligt vast in het westen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In juli en augustus zitten de vogels op stranden aan de Pacifische kust, wanneer ze net van hun broedmeren komen: zoek tussen de ringsnavelmeeuwen naar een iets grotere meeuw met donkere ogen en groengele poten. In het binnenland is elk groot zoutmeer of spaarbekken tussen april en juni raak, en dan is de kolonie al van verre te horen. Kijk bij twijfel altijd eerst naar het oog: het donkere oog geeft de vogel een zachte uitdrukking die geen andere middelgrote meeuw van het westen heeft.

Staat van instandhouding

Het broedbestand wordt op ruim vierhonderdduizend vogels geschat en de tellingen laten sinds de jaren zestig geen duidelijke landelijke af- of toename zien; de soort geldt als niet bedreigd (LC). Plaatselijk is er wel zorg: de kolonies hangen aan de waterstand van een handvol zoutmeren, en zakt die te ver, dan lopen roofdieren over de drooggevallen bodem naar de eilanden. In de baai van San Francisco is de eigen groei een probleem geworden voor andere broedvogels, omdat de meeuwen eieren en jongen van kluten, plevieren en sterns wegnemen; het verplaatsen van de grootste kolonie in 2010 verbeterde de overleving van jonge sterns meteen.

Wetenschappelijke naam

Larus californicus | Lawrence, 1854

George Newbold Lawrence, koopman en vogelkundige in New York, beschreef de soort in 1854 als Larus Californicus — met een hoofdletter, zoals dat in de negentiende eeuw bij van plaatsnamen afgeleide soortnamen gebruikelijk was. Omdat ze nog altijd in hetzelfde geslacht staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. californicus betekent 'uit Californië'; de typelocatie ligt bij Stockton in Californië, in het binnenland en niet aan zee, wat aardig past bij een meeuw die op zoutmeren broedt.