Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Beringmeeuw

Beringmeeuw | Larus glaucescens

Glaucous-winged Gull | Gaviota de Bering

De beringmeeuw is de grote meeuw van de noordelijke Grote Oceaan, en de enige met vleugelpunten in precies dezelfde grijstint als de mantel: nergens in het kleed zit zwart. Van de Beringzee tot Puget Sound is hij de vanzelfsprekende meeuw van elke haven, en in Vancouver, Victoria en Seattle broedt hij op de platte daken midden in de stad.

Beringmeeuw (Larus glaucescens)
Foto: DickDaniels — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een laag, doordringend kiauw, en daarnaast een zacht kou-kou-kou dat vogels bij elkaar in de buurt gebruiken. De lange roep is een reeks tonen die hoog begint en al roepend korter en lager wordt: het is dit geluid dat aan de Pacifische kust voor iedereen de klank van de zee is. In de kolonie roepen mannetje en vrouwtje beide, met een breed scala aan tonen in balts en dreiging, en op een stadsdak draagt dat geroep in de vroege ochtend over hele straten. Jongen bedelen met een aanhoudend, fluitend gepiep.

Luister: RoepXC1165186

Opname: Rachel Thurman — CC BY 4.0 · Hospital Drive and Salmon Creek Lane (near Juneau), Juneau City and Borough, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Een grote, zwaar gebouwde meeuw met een grote, tamelijk platte kop en een dikke snavel met een uitgesproken hoek voor de punt. De volwassen vogel is wit met een parelgrijze mantel, en de vleugelpunten hebben diezelfde grijstint met witte vlekken erin, zodat het uiteinde van de vleugel niet donker maar wel afgetekend oogt. Het oog is donkerbruin, de snavel geel met een rode vlek, de poten roze; in de winter is de kop zwaar bruin gevlekt en gestreept, tot ver in de hals. Jonge vogels zijn gelijkmatig grijsbruin, ook in de vleugelpunt en de staart, met een geheel zwarte snavel, en missen de scherpe tekening van andere jonge grote meeuwen. Het volwassen kleed komt in het vierde jaar.

Verwarrings­soorten

De grote burgemeester (Larus hyperboreus) is groter, bleker, heeft zuiver witte vleugelpunten zonder enig grijs, een bleekgeel oog, en als jonge vogel een roze snavel met een strak afgetekende zwarte punt in plaats van een geheel zwarte. De kleine burgemeester (Larus glaucoides) is kleiner en fijner gebouwd, ook met witte punt. De Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) heeft zwarte vleugelpunten en een bleek oog. Het grootste probleem is de Californische meeuw (Larus occidentalis): waar beide soorten elkaar in Washington en Oregon ontmoeten broeden ze door elkaar heen, en de meeste kustmeeuwen daar zijn kruisingen met een mantel en een vleugelpunt die tussen beide ouders in vallen. Houd voor een zekere beringmeeuw drie dingen bij elkaar: vleugelpunt in dezelfde tint als de mantel, donker oog, en bij jonge vogels een volledig zwarte snavel.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Rotskusten in de getijdenzone zijn zijn eigenlijke werkterrein: mosselbanken, kelpvelden en poelen tussen de rotsen, waar hij bij laag water zeeëgels en krabben zoekt en schelpen van hoogte op de stenen laat vallen. Verder gebruikt hij zandstranden, riviermondingen, havens, visafslagen en vuilstortplaatsen, en volgt hij vissersschepen tot in de haven. Broeden doet hij op boomloze eilandjes, lage kliffen, steigers, pakhuizen en platte daken in de stad. In het binnenland komt hij nauwelijks verder dan de rivieren waar de zalm optrekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt langs de kusten van de noordelijke Grote Oceaan, van Oost-Siberië, Kamtsjatka en de Koerilen en Commandeurseilanden oostwaarts over de Aleoeten en de Pribilofeilanden en door zuidelijk Alaska tot in noordelijk Washington. Een groot deel van de vogels blijft het hele jaar in de buurt van de kolonie zolang de haven ijsvrij blijft; de rest schuift zuidwaarts, tot Californië en Neder-Californië en aan de Aziatische kant tot Japan. In de laatste halve eeuw is hij zich in de steden gaan vestigen: daken bij de havens van Vancouver, Victoria en Seattle huisvesten inmiddels een merkbaar deel van de zuidelijke broedvogels. Buiten de Pacifische kust wordt hij zelden gezien.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Elke haven tussen Anchorage en Seattle levert hem op, het hele jaar door; kijk bij een zittende vogel naar het uiteinde van de gevouwen vleugel en vergelijk dat met de rug — dezelfde grijstint, met witte punten erin, is het kenmerk. Ten zuiden van de Canadese grens hoort er meteen een vraagteken bij: reken erop dat een deel van de vogels kruisingen met de Californische meeuw is, en let dan op vogels waarvan de vleugelpunt merkbaar donkerder is dan de mantel. Het donkere oog is bij alle leeftijden het snelste hulpmiddel.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer driehonderdtachtigduizend broedvogels geschat, en over het geheel genomen bleven de aantallen tussen 1968 en 2015 tamelijk stabiel; de soort geldt als niet bedreigd (LC). Rond de Salishzee is dat anders: daar is het aantal ongeveer gehalveerd sinds de jaren tachtig, en tegelijk verschoof het menu van vis naar afval en regenwormen van het land. Onderzoekers wijzen op de achteruitgang van de kleine kustvis, want zonder vis brengen de paren te weinig jongen groot; daarnaast spelen vervuiling van de kustwateren en het sluiten van open vuilstortplaatsen mee.

Wetenschappelijke naam

Larus glaucescens | Naumann, 1840

De Duitse vogelkundige Johann Friedrich Naumann beschreef de soort in 1840 als Larus glaucescens, naar materiaal uit Noord-Amerika; ze staat nog altijd in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. glaucescens betekent 'blauwgrijs wordend', van het Latijnse glaucus en het Griekse glaukos, blauwgrijs — precies de kleur van de vleugelpunt die de soort van alle andere grote meeuwen scheidt. Als typelocatie geeft de beschrijving niet meer op dan 'Noord-Amerika'.