Alle soorten › Valkachtigen › Valken en caracara's › Prairievalk
Prairievalk | Falco mexicanus
Prairie Falcon | Halcón Mexicano
De prairievalk is de karakteristieke grote valk van de droge, open ruimtes van het westen van Noord-Amerika, van steppe met sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) tot hooggelegen alpiene weiden, en broedt op rotswanden met wijd uitzicht over het omringende terrein. Zijn zandbruine, aan de omgeving aangepaste kleur maakt hem in vlucht minder opvallend dan de meeste andere grote valken.
Geluid
Bij het territorium laat de prairievalk een luide, kekkerende reeks kreten horen, vergelijkbaar met die van de slechtvalk maar hoger en scherper van toon. Tijdens de balts en bij nestverdediging klinkt dit geluid aanhoudend en indringend. Buiten de broedtijd is hij grotendeels stil.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Nevada (near Austin), Lander County, Nevada, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, zandbruine valk met een lichte onderzijde, bruine vlekken en een dunne, smalle snor tegen een verder lichte gezichtstekening. Kenmerkend in vlucht is de donkere driehoek van 'okselveren' onder de vleugelbasis, goed zichtbaar tegen de verder lichte ondervleugel. Vrouwtjes zijn aanmerkelijk groter dan mannetjes. Jonge vogels zijn van boven donkerder bruin en van onderen zwaarder gestreept in plaats van gevlekt.
Verwarringssoorten
De slechtvalk is donkerder van boven met een brede, egale zwarte snor en een geheel andere, contrastrijkere kleur, en mist de donkere okseldriehoek van de prairievalk. De Amerikaanse torenvalk is veel kleiner met een dubbele zwarte kopstreep. In droog, open terrein met rotswanden is een grote, zandkleurige valk met donkere oksels vrijwel altijd een prairievalk.
Leefgebied
Droge, open ruimtes met weinig begroeiing zijn essentieel: sagebrush-steppe, woestijnrand, kortgrasprairie, landbouwgrond en alpiene weiden tot op grote hoogte. Voor het nest is de soort volledig afhankelijk van rotsrichels op klifwanden en steile ravijnen met wijd uitzicht over het jachtgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt door het hele westen van Noord-Amerika, van het zuiden van Canada tot centraal Mexico, met de dichtste populaties in de binnenlandse bekkens tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada. De meeste vogels zijn standvogel of trekken slechts kort naar lager gelegen terrein na de broedtijd; noordelijke vogels kunnen verder zuidwaarts trekken wanneer sneeuw de jacht bemoeilijkt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het westen van de Verenigde Staten naar rotswanden boven droge steppe of prairie: een prairievalk zit vaak stil op een richel of vliegt laag en snel langs de klifwand, waarbij de donkere okseldriehoek in tegenlicht meteen opvalt. In de winter zwerven veel prairievalken ook over open akkers en graslanden in de vlakten, waar ze laag over de grond jagen op strandleeuweriken en andere kleine vogels.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC) en de populatie is over het algemeen stabiel, al ondervindt hij plaatselijk druk van omzetting van steppe en droog grasland naar landbouwgrond en van verstoring van broedklifwanden door recreatie en mijnbouw.
Wetenschappelijke naam
Falco mexicanus | Schlegel, 1850
Schlegel beschreef de soort in 1850 als Falco mexicanus; het geslacht is sindsdien ongewijzigd gebleven, vandaar geen haakjes om auteur en jaartal, ondanks dat de soort tussentijds ook wel bij Hierofalco is ingedeeld. Falco is Latijn voor 'valk'; mexicanus verwijst naar Mexico, waar het eerste exemplaar werd verzameld, ook al broedt de soort daar alleen in het noorden en midden van het land. Schlegel gaf als herkomst eenvoudig Mexico op; in 1862 noemde hij Monterrey, in het noordoosten van het land, als vindplaats van het type. De Nederlandse naam komt overeen met de Engelse naam Prairie Falcon, naar de open prairies en steppen waar de soort jaagt.





