Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Rijstvogel
Rijstvogel | Padda oryzivora
Java Sparrow | Capuchino arrocero de Java
De rijstvogel is de grootste prachtvink van het gidsgebied: een gedrongen, grijze vogel met een zwarte kop, een witte wangvlek en een zware roze-rode snavel. In zijn oorspronkelijke gebied op Java en Bali is hij door de kooihandel sterk teruggelopen en als bedreigd aangemerkt, terwijl de ingevoerde populatie op Hawaï juist toeneemt.
Geluid
De roep is een kort, hard tjup of tak, dat een foeragerende groep voortdurend laat horen en dat bij het opvliegen versnelt. De zang van het mannetje is een reeks van diezelfde notities, in tempo opgevoerd en afgesloten met een lager, rollend deel; hij wordt met opgerichte houding en trillende staart gebracht. Ook buiten de zang gebruiken beide geslachten een trillende roep waarvan tempo en luidheid verschillen: sneller en harder bij ruzie, trager bij contact tussen partners.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Volwassen vogels zijn effen blauwgrijs op rug, vleugels en borst, met een roze tot wijnkleurige buik en witte onderstaartdekveren. De kop is zwart met een grote, scherp begrensde witte wangvlek; rond het oog ligt een kale rode ring. De snavel is groot, hoog en roze-rood met een lichtere rand; de poten zijn roze. Beide geslachten zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruin van boven, vuilwit van onderen, met een effen bruinige kop zonder wangvlek en een donkere snavel — een ander beeld dan de volwassen vogel.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn in het gidsgebied met niets te verwarren: geen andere zaadeter van Hawaï combineert dit formaat met een zwart-witte kop en een rode snavel. Jonge vogels wel: ze lijken op jonge muskaatvinken en nonnen, maar zijn merkbaar groter en zwaarder gebouwd en hebben een veel forsere snavel. Bij twijfel geven de begeleidende volwassen vogels in dezelfde groep de doorslag.
Leefgebied
Open, grazig land en cultuurgrond, van oorsprong vooral rijstvelden en de randen daarvan. Op Hawaï is hij een vogel van de stadsranden van Honolulu: parken, campussen, golfbanen, hotelgazons, haagbeplanting en kustvlakten met exotische grassen, tot in het bergachtige achterland waar open plekken liggen. Hij nestelt in holtes en dichte kroonbladeren van palmen en in gebouwen. Gesloten inheems bos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van oorsprong beperkt tot Java, Bali en Bawean in Indonesië, waar hij nu zeldzaam en versnipperd is. Door de kooivogelhandel is hij op veel plaatsen buiten dat gebied terechtgekomen. In het gidsgebied gaat het om twee ingevoerde populaties: Hawaï, waar hij zich vanaf de jaren zestig op Oʻahu vestigde en sindsdien sterk in aantal en oppervlakte is toegenomen, met kleinere aantallen op Kauaʻi, Maui en het eiland Hawaï; en Puerto Rico, waar hij vooral rond San Juan voorkomt. Losse vogels elders in Noord-Amerika zijn ontsnapte kooivogels zonder vaste populatie.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Op Oʻahu foerageren groepen op gemaaid gras in de parken van Honolulu en langs de Ala Wai, vaak samen met muskaatvinken en huismussen. Loop in de vroege ochtend een stadspark af en let op het harde tjup en op de forse, roodsnavelige silhouetten die in korte rechte vluchten van gras naar boom gaan.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst plaatst de soort als bedreigd (EN): in het oorspronkelijke gebied op Java en Bali is de populatie door decennia van vangst voor de kooivogelhandel tot een klein aantal geslonken, en de resterende groepen zijn versnipperd. Ook verlies van rijstveld en vervolging als oogstplaag speelden een rol. De soort staat op Bijlage II van CITES. Buiten dat gebied is het beeld tegengesteld: op Hawaï en in Puerto Rico nemen de ingevoerde populaties toe, en die vogels tellen niet mee in de beoordeling van de soort.
Wetenschappelijke naam
Padda oryzivora | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia oryzivora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam oryzivora komt van het Latijnse oryza 'rijst' en vorare 'verslinden', dus 'rijsteter' — naar het voedsel op de Javaanse rijstvelden. De geslachtsnaam Padda gaat terug op een lokale naam voor de vogel, verwant aan het Maleise padi 'rijst op de halm'. De typelocatie staat bij Linnaeus als 'Azië en Ethiopië', maar wordt gelezen als Java. De Nederlandse naam vertaalt dezelfde band met rijst.




