Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Zilverbekje

Zilverbekje | Euodice cantans

African Silverbill | Capuchino picoplata africano

Het zilverbekje is een kleine, zandkleurige prachtvink uit de Sahel die sinds de jaren zestig op Hawaï leeft. De zware zilverblauwe snavel, de zwarte stuit en de lange spitse zwarte staart maken hem in het veld herkenbaar. In het gidsgebied komt hij alleen op de Hawaïaanse eilanden voor, in droog, open terrein van de kust tot hoog op de vulkaanhellingen.

Zilverbekje (Euodice cantans)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, hoog tsiep, dat in een vliegende groep vrijwel onafgebroken klinkt en de vogels bij elkaar houdt. Mannetjes roepen enkelvoudig, vrouwtjes vaker in een dubbele tsip-tsip. De zang is een zachte, ratelende triller van dezelfde dunne notities, aan elkaar geregen tot een langere reeks; hij draagt maar enkele meters ver en gaat op korte afstand van een zittend vrouwtje, vaak met een grashalm in de snavel.

Luister: VluchtroepXC951209

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Mudayy, Dhofar Governorate, Oman · xeno-canto

Herkenning

Bovendelen bleek zandbruin met een fijne, golvende dwarstekening die pas van dichtbij zichtbaar is; onderdelen vuilwit tot crème, zonder tekening. De stuit en de bovenstaartdekveren zijn zwart, en de staart is lang, smal en spits toelopend — in vlucht het duidelijkste kenmerk. De snavel is kort, hoog en zilverblauw tot loodgrijs; de poten zijn vleeskleurig. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Jonge vogels missen de fijne dwarstekening en hebben een kortere staart.

Verwarrings­soorten

Op Hawaï is de muskaatvink het grootste probleem: jonge muskaatvinken zijn eveneens effen lichtbruin, maar ze hebben een bruine stuit en staart, een zwaardere donkere snavel en een kortere, minder spitse staart. De kastanjenon is compacter, donkerder en heeft in jeugdkleed een roodbruine stuit. De rijstvogel is bijna anderhalf keer zo lang en heeft een rode snavel. Het uit Azië stammende Indische zilverbekje lijkt sterk maar heeft een witte stuit en komt in Noord-Amerika niet voor.

Leefgebied

Droog, open land met verspreide struiken en zaaddragende grassen: doornsavanne en halfwoestijnrand in het oorspronkelijke gebied, op Hawaï lavavelden met pionierstruiken, overbegraasde veeweiden, wegbermen, hotelgazons en droge kustvlakten. Hij mijdt gesloten bos en permanent natte plekken. Water wordt dagelijks bezocht, vaak in groep. Op Hawaï reikt hij van zeeniveau tot boven 3000 meter op Mauna Kea.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van oorsprong een vogel van de Sahelgordel, van Mauritanië, Senegal en Gambia oostwaarts door Sudan tot Somalië en Noord-Tanzania, plus het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland. In het gidsgebied gaat het uitsluitend om een ingevoerde populatie: rond 1965 losgelaten of ontsnapt bij Puʻu Waʻawaʻa op het eiland Hawaï, met het eerste bevestigde exemplaar in 1972. Daarna breidde hij zich over alle grote eilanden uit — Hawaï, Maui, Lanaʻi, Kahoʻolawe, Molokaʻi, Oʻahu, Kauaʻi en Niʻihau. Op het eiland Hawaï is hij het talrijkst; op Oʻahu blijft de populatie klein.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Op Niihau en Kahoolawe wordt zo weinig gekeken dat de meting daar zwijgt en de standaardwerken het zeggen. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op de droge westkant van het eiland Hawaï, langs de Kona-kust en op de oude lavastromen bij Puʻu Waʻawaʻa. Groepjes vliegen laag en snel op van de berm; let op het silhouet met de lange spitse staart en op het onafgebroken dunne tsiep. De vroege ochtend bij een drinkplaats of een sprinkler geeft de beste kans op zittende vogels.

Staat van instandhouding

In Afrika is de soort wijdverbreid en talrijk, met een areaal van miljoenen vierkante kilometers en geen bekende afname; de Rode Lijst plaatst hem in de categorie niet bedreigd (LC). De Hawaïaanse vogels vallen buiten die beoordeling: als ingevoerde soort genieten ze geen bescherming. Ze eten vooral zaden van eveneens ingevoerde grassen in reeds omgevormd, droog laagland, en er zijn geen aanwijzingen dat ze inheemse honingkruipers verdringen; wel kunnen ze, net als andere uitheemse zaadeters, ziekten van pluimvee en zangvogels meedragen.

Wetenschappelijke naam

Euodice cantans | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia cantans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam cantans is Latijn voor 'zingend', van canere 'zingen'. De geslachtsnaam Euodice wordt afgeleid van het Griekse eu 'goed' en ōidē 'zang', dus 'welluidend'. Het typemateriaal kwam uit Afrika; de typelocatie is later beperkt tot Dakar in Senegal. De Nederlandse en Engelse naam wijzen allebei op de zilverkleurige snavel.