Alle soorten › Zangvogels › Oranjekopzanger › Oranjekopzanger
Oranjekopzanger | Peucedramus taeniatus
Olive Warbler | Ocotero enmascarado
Hoog in de bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico, in open dennenbos boven de achttienhonderd meter, leeft een klein grijs vogeltje met een warm oranjebruine kop en een zwart masker dat om het oog sluit. Het is de noordelijkste voorpost van een areaal dat tot in Nicaragua reikt. Wie hem wil zien moet omhoog kijken: hij blijft in de kruin van de hoogste dennen en verraadt zich vooral door zijn heldere fluittonen.
Geluid
De zang is een reeks van vijf tot acht heldere, tweelettergrepige fluittonen op één toonhoogte, ongeveer pjie-ta pjie-ta pjie-ta of tjoe-wie tjoe-wie, traag en gelijkmatig, met een klank die aan een boomklever doet denken. Er wordt het hele jaar gezongen, maar het meest van eind februari tot in mei, meestal vanaf een hoge tak in het volle ochtendlicht. De roep is een zacht, iets dalend fjieuw, dat paren de hele dag tegen elkaar zeggen en dat het beste teken is dat de soort in een bos aanwezig is. In gemengde wintertroepen valt die roep tussen het gepiep van mezen en boomklevers moeilijk op.
Opname: Ryan Douglas — CC BY-SA 4.0 · Rustler Park, Chiricahua Mtns, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een oranjebruine kop, keel en borst met een zwart masker dat van de snavel over het oog tot op de oorstreek loopt; de rest van het lichaam is grijs, met een witte buik, twee brede witte vleugelstrepen en witte vlekken in de buitenste staartpennen. Het vrouwtje heeft dezelfde tekening in dofgeel tot olijfgeel, met een vage grijze oogstreep in plaats van een zwart masker en een geelgroene kruin. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn valer en grauwer op de kop. In alle kleden valt het grijze lichaam met de scherpe witte vleugelstrepen op, en vogels uit het zuiden van het areaal zijn feller gekleurd dan die uit Arizona. Van tak naar tak vliegend lijkt hij klein en kortstaartig.
Verwarringssoorten
In dezelfde dennen zit Grace' zanger (Setophaga graciae), met een felgele keel, een gele wenkbrauwstreep en zwarte strepen op de flanken; die is beweeglijker en houdt zich lager op. De geelstuitzanger, 's winters in dezelfde bossen, heeft een gele stuit, gele zijvlekken en een gestreepte rug. Vrouwtjes en jonge oranjekopzangers verschillen van geelkoppige zangers door de effen grijze rug zonder enige streping en door de scherp begrensde witte vleugelstrepen. Het geluid helpt altijd: geen zanger van deze bossen fluit zo langzaam en zo helder.
Leefgebied
Open naaldbos hoog in de bergen: ponderosaden, Chihuahuaden en Apacheden, en hogerop zilverspar, meestal boven de achttienhonderd meter en tot bijna aan de boomgrens. In Mexico gaat het om dennen-eikenbos, van halfdroog tot vochtig, en in Midden-Amerika om bergbos tussen duizend en drieduizend meter. Gejaagd wordt in de buitenste naaldkwasten van de hoogste bomen; jonge aanplant, laag struweel en gesloten loofbos zijn ongeschikt. In de winter zit hij vaak in gemengde troepen met mezen en boomklevers, maar nog steeds in de kruin.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van Midden-Arizona en Zuidwest-New Mexico zuidwaarts door de bergketens van Mexico — Sonora, Chihuahua, de Sierra Madre Occidental en Oriental, en de bergen van Oaxaca en Chiapas — tot in Zuidwest-Guatemala, Noord-El Salvador, Midden-Honduras en Noord-Nicaragua. Het is een vogel van bergen, en zijn areaal bestaat dan ook uit losse eilanden van hoog bos in plaats van één aaneengesloten vlak. In het noordelijke deel verlaten sommige vogels 's winters het hoogste bos, maar ver gaat er niemand: buiten de bergen wordt hij vrijwel nooit gezien. In de Verenigde Staten broedt hij alleen in de bergen van Arizona en New Mexico, met daarbuiten een handvol waarnemingen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei bij zonsopgang naar een pas of een kam boven de achttienhonderd meter waar oude ponderosadennen staan — de bergen van Zuidoost-Arizona zijn de klassieke plek — en zoek eerst met de oren. Volg het langzame gefluit tot je onder de boom staat en werk dan de buitenste naaldkwasten van de kruin af; wat in de kijker het eerst opvalt is meestal de witte vleugelstreep tegen grijs. Kom vroeg: na een uur of tien wordt er veel minder gezongen en is de vogel bijna niet meer te vinden.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt geschat op twee miljoen vogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Het bos waarin hij leeft is wel kwetsbaar: grote, hete bosbranden en de kap van oude naaldbomen maken hele bergtoppen jarenlang ongeschikt, en zijn areaal bestaat nu juist uit zulke afzonderlijke toppen. In de Verenigde Staten gaat het om een kleine groep aan de rand van het areaal, wat elk verlies zwaarder laat wegen.
Wetenschappelijke naam
Peucedramus taeniatus | (Du Bus de Gisignies, 1847)
Du Bus de Gisignies beschreef de soort in 1847 als Sylvia taeniata, bij de zangers van de Oude Wereld; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Peucedramus werd in 1875 ingevoerd door Coues en is gevormd uit het Griekse peukē 'den' en dramein 'lopen': de vogel die door de dennen loopt. De soortnaam taeniatus betekent 'met een band', naar het zwarte masker en de witte vleugelstrepen. Als typelocatie geeft de beschrijving alleen Mexico; Brodkorb beperkte die in 1944 tot San Cristóbal in Chiapas, maar Zimmer maakte in 1948 aannemelijk dat het exemplaar uit San Pedro in Oaxaca kwam.

