Alle soortenZangvogelsPrachtvinken › Muskaatvink

Muskaatvink | Lonchura punctulata

Scaly-breasted Munia | Capuchino punteado

Een heel klein bruin vogeltje met een donkere kop en een borst die eruitziet alsof er schubben op liggen: elke veer heeft een witte binnenkant en een donkere rand. Hij komt uit Zuid-Azië en leeft hier verwilderd, in Californië, Texas, Florida, Puerto Rico en vooral op Hawaii. In groepjes ritselt hij door het hoge gras van een berm of een sloot, hangend aan de halmen om te eten.

Muskaatvink (Lonchura punctulata)
Foto: A.Baihaqi — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een dun, wat klaaglijk kie-tie of pieh, dat vogels in een groep onophoudelijk heen en weer roepen en dat vaak het enige is wat een groep in hoog gras verraadt. Bij het opvliegen klinkt een scherp, hard tsjip, en een opvliegende groep maakt een korte, droge ratel van tientallen van die roepjes tegelijk. Het geluid draagt niet ver en gaat in stadsrumoer gemakkelijk verloren.

Luister: RoepXC588179

Opname: K L Vinay — CC BY-SA 4.0 · Bhupal housing Colony, Tirupati, Chittoor, Andhra Pradesh, India · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels hebben een warm kaneelbruine rug en vleugels, een donkerbruin tot bijna zwart gezicht en keel, en een witte onderzijde die van de borst tot op de flanken dicht bezet is met donkere, halvemaanvormige randen — de schubtekening waaraan de soort haar Engelse en Spaanse naam dankt. De stuit en de bovenstaart zijn geelbruin en lichten in vlucht op. De snavel is kort, hoog en loodgrijs tot zwart. Jonge vogels zien er heel anders uit: egaal lichtbruin boven en effen beige onder, zonder donkere kop en zonder enige schubtekening, en zij worden dan ook het vaakst verkeerd benoemd. Mannetje en vrouwtje zijn in het veld niet te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De zwartkopnon (Lonchura atricapilla), die op Hawaii op dezelfde plekken leeft, is diep kastanjebruin met een geheel zwarte kop en zwarte buik, zonder schubben. Jonge muskaatvinken worden verward met jonge huismussen: die zijn groter, grover gestreept op de rug en hebben een lichte, bruinige snavel in plaats van een zware loodgrijze. In de bermen en sloten van Hawaii en Zuid-Florida leven meer verwilderde prachtvinken, en de vuistregel is eenvoudig: kijk naar de borst, want alleen deze soort draagt daar schubben. Bij een groep loont het te wachten tot de bruine vogels zich omdraaien — jonge en volwassen vogels vliegen door elkaar.

Leefgebied

Hoog gras en onkruidruigte langs wegen, sloten, spoorlijnen en braakliggende percelen, rietkragen, rijstvelden en suikerrietranden, en verder golfbanen, parken, tuinen en boomrijke stadswijken. Hij is aangewezen op halfrijp graszaad en houdt zich daarom op waar het gras hoog mag worden; kortgemaaide gazons en gesloten bos worden gemeden. Voor de slaapplaats en het nest is een dichte boom, een palm of een klimplant tegen een muur genoeg. Water is bijna altijd in de buurt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van huis uit een vogel van India, Sri Lanka en Zuidoost-Azië tot in Indonesië en de Filipijnen. Op Hawaii is hij sinds 1883 aanwezig en nu op alle grote eilanden een van de talrijkste vogels; op het vasteland gaat het om ontsnapte en losgelaten kooivogels die zich in Zuid-Californië hebben gevestigd en zich sinds de jaren tachtig noordwaarts door het Central Valley uitbreiden, en verder om bevolkingen aan de Golfkust van Texas en in Zuid-Florida. In Puerto Rico is hij sinds 1971 aanwezig en inmiddels gewoon in het laagland en op Vieques en Culebra. De uitbreiding gaat langzaam en volgt de bebouwing: nieuwe plekken liggen bijna altijd bij een stad.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend langs een berm of een sloot waar het gras in de aar staat en let op bewegende halmen zonder dat het waait: een groepje muskaatvinken buigt de aren omlaag en eet er ondersteboven van. Ze zijn weinig schuw en laten zich op tien meter bekijken, tot er iemand te dichtbij komt en de hele groep tegelijk naar de eerstvolgende boom vertrekt. Op Hawaii is elke grasrand langs een parkeerplaats een kans.

Staat van instandhouding

In eigen gebied is de soort zeer talrijk en niet bedreigd, met een enorm areaal en een stabiele trend. Hier gaat het om verwilderde vogels, die niet worden geteld en waarvoor geen instandhoudingsbeleid bestaat. Waar rijst of graan wordt verbouwd kan een grote groep schade doen; dat hij hier inheemse vogels verdringt, is niet aangetoond.

Wetenschappelijke naam

Lonchura punctulata | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia punctulata, bij de kruisbekken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lonchura werd in 1832 ingevoerd door Sykes en is gevormd uit het Griekse lonchē 'speerpunt' en oura 'staart', naar de spitse staart van deze vogels. punctulata is Latijn voor 'fijn gestippeld'. Als typelocatie gaf Linnaeus alleen Azië; Baker beperkte die in 1926 tot Calcutta.