Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Driekleurennon

Driekleurennon | Lonchura malacca

Tricolored Munia | Capuchino tricolor

De driekleurennon is een kleine Aziatische prachtvink die in het gidsgebied alleen als ingevoerde vogel voorkomt, op de Grote Antillen en aan de zuidrand van het Caraïbisch gebied. De naam slaat op de scherpe driedeling van het kleed: zwarte kop en borst, kastanjebruine rug en witte flanken en buik.

Driekleurennon (Lonchura malacca)
Foto: Photosynthesis85 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, hoog pie-pie of tsjiet, dat vliegende groepen doorlopend laten horen; bij het opvliegen uit het gras klinkt een snelle reeks van dezelfde notities. De zang van het mannetje is zo zacht dat hij op enkele meters afstand nauwelijks te horen is: een hakkelende reeks klikkende en sissende geluiden die eindigt in een langgerekte, ijle fluittoon. Hij wordt met opgezette keelveren en trillende staart gebracht, meestal op een grashalm vlak bij het vrouwtje.

Luister: ZangXC1157253

Opname: David Ricardo Rodríguez-Villamil — CC BY-NC-SA 4.0 · Villanueva, Casanare, Colombia · xeno-canto

Herkenning

De volwassen vogel is in drie vlakken verdeeld: kop, keel en borst diep zwart, rug en vleugels warm kastanjebruin, flanken en buik wit met een zwarte vlek op het buikmidden en zwarte onderstaartdekveren. Stuit en bovenstaartdekveren zijn roodbruin tot goudkleurig en lichten op in vlucht. De snavel is zwaar, kegelvormig en zilverblauw; de poten zijn grijs. Beide geslachten zijn gelijk. Jonge vogels zijn effen warmbruin van boven en licht okerkleurig van onderen, zonder enige tekening.

Verwarrings­soorten

De kastanjenon is het meest gelijkend en werd lange tijd als dezelfde soort beschouwd: die heeft een zwarte kop maar de hele onderkant kastanjebruin, zonder het witte vlak op flanken en buik. Waar beide voorkomen is dat witte vlak het enige nodige kenmerk. Jonge vogels van beide soorten zijn niet betrouwbaar te scheiden; ze lijken ook op jonge muskaatvinken, die echter donkerder poten en een iets langere, donkerder snavel hebben. Het zilverbekje is bleker, met een zwarte stuit en een lange spitse staart.

Leefgebied

Vochtig, open grasland en cultuurgrond: rijstvelden, suikerrietranden, natte weiden, zeggevelden, rietkragen langs sloten en poelen, en braakliggende akkers met zaaddragende grassen. Hij blijft laag bij de grond en zoekt voedsel klimmend in de halmen. Water in de buurt is vrijwel altijd aanwezig. Gesloten bos en droog struweel mijdt hij; het bolvormige grasnest hangt laag in riet, gras of een struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van oorsprong een vogel van het schiereiland India, Sri Lanka en delen van Bangladesh en Zuid-China. Door de kooivogelhandel is hij op veel plaatsen buiten Azië losgekomen. In het gidsgebied gaat het uitsluitend om ingevoerde populaties: Cuba, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico in de Grote Antillen, en het noorden van Venezuela en Colombia, waar hij zich na invoer in de jaren veertig sterk uitbreidde en talrijk werd in de rijstbouwgebieden. Op Hawaï is hij in de jaren zestig en zeventig enkele malen gemeld, maar heeft hij zich niet gevestigd; die oude meldingen betroffen deels de kastanjenon.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in Puerto Rico in het vochtige laagland aan de noord- en zuidkust: kijk 's ochtends langs sloten en op braakliggend, verruigd land waar hoge grassen in zaad staan. Een groep verraadt zich door het dunne, aanhoudende geroep en door het schokkerig heen en weer bewegen van de halmen. Let op de witte flanken, het enige kenmerk dat ook op afstand telt.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst: het oorspronkelijke areaal is groot en de aantallen zijn er stabiel. In Azië wordt hij plaatselijk als rijstplaag bestreden en in grote aantallen voor de kooivogelhandel gevangen, zonder dat dit tot een afname over het hele areaal heeft geleid. De populaties in het gidsgebied zijn ingevoerd en genieten geen bescherming; ze houden zich aan reeds omgezet landbouwland en er zijn geen aanwijzingen dat ze inheemse zaadeters verdringen.

Wetenschappelijke naam

Lonchura malacca | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Loxia malacca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam verwijst naar Malakka op het Maleise schiereiland, maar dat is een vergissing: de soort komt daar niet voor, en de typelocatie is later verlegd naar Belgaum in India. De geslachtsnaam Lonchura, in 1832 ingevoerd door William Henry Sykes, komt van het Griekse lonchē 'speerpunt' en oura 'staart', naar de spitse staart van deze vinken. De Nederlandse naam benoemt de drie kleurvlakken van het kleed.