Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Kastanjenon
Kastanjenon | Lonchura atricapilla
Chestnut Munia | Capuchino castaño
De kastanjenon is een kleine Aziatische prachtvink met een zwarte kop en een kastanjebruin lichaam, die sinds 1959 op de Hawaiiaanse eilanden leeft. Hij hoort er bij het vochtige, grazige laagland: rijstveldresten, natte weiden en verruigde velden rond Pearl Harbor en elders, waar hij in groepen aan de zaadhalmen hangt.
Geluid
Het contactgeluid is een dun, hoog pie-ie of tsjiet, dat een groep bijna zonder onderbreking laat horen en dat bij het gezamenlijk opvliegen in een ijle ratel overgaat. De zang van het mannetje is nauwelijks hoorbaar: een zachte, hakkelende reeks van klikken en ruisende toontjes die uitloopt op een langgerekte, hoge fluittoon. Hij zingt rechtop op een halm naast het vrouwtje, met de keelveren opgezet en de staart in trilling, vaak met een grasspriet in de snavel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Volwassen vogels hebben een geheel zwarte kop, keel en bovenborst, scherp begrensd tegen het effen kastanjebruine lichaam; de onderdelen zijn eveneens kastanjebruin, bij de Filipijnse ondersoorten met een zwarte buik. De stuit en bovenstaartdekveren zijn helderder roodbruin tot goudkleurig en lichten alleen in vlucht op. De snavel is kort, hoog en bleek blauwgrijs; de poten zijn grijsblauw. De geslachten zijn gelijk. Jonge vogels zijn effen lichtbruin van boven en vuilwit tot okerkleurig van onderen, zonder zwarte kop.
Verwarringssoorten
De driekleurennon, waarmee hij vroeger tot één soort werd gerekend, heeft dezelfde zwarte kop maar witte flanken en een witte buik; die komt in het gidsgebied alleen in het Caribisch gebied voor en overlapt dus niet met de Hawaiiaanse vogels. Op Hawaï is de muskaatvink de belangrijkste verwarringssoort: die heeft een bruine kop en een fijn geschubde borst. De grootste valkuil zijn de jonge vogels: effen bruine jonge kastanjenonnen, muskaatvinken en zilverbekjes lijken sterk op elkaar — let dan op de zwarte stuit en de lange spitse staart van het zilverbekje, en op de volwassen vogels in dezelfde groep.
Leefgebied
Vochtig, open grasland en cultuurland met hoge, zaaddragende grassen: natte weiden, zeggevelden, sloot- en vijverranden met riet, suikerriet- en rijstveldresten, verruigde braakliggende terreinen, golfbaanranden en wegbermen. Hij blijft in de lage vegetatie en klimt bij het foerageren langs de halmen omhoog. Op Hawaï vooral in het laagland tot enkele honderden meters; gesloten inheems bergbos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van oorsprong wijdverbreid in Zuid- en Zuidoost-Azië, van Bangladesh en Noordoost-India door Indochina tot Zuid-China, Taiwan, de Filipijnen en de Grote Soenda-eilanden. In het gidsgebied gaat het alleen om een ingevoerde populatie op Hawaï: omstreeks 1959 op Oʻahu ontsnapt of losgelaten uit de kooivogelhandel, in 1963 nog maar 400 tot 500 vogels rond Pearl Harbor en ʻEwa Beach, daarna sterk toegenomen en verspreid. Hij is nu gevestigd op Oʻahu, Kauaʻi en Maui, met kleinere of recentere aantallen op Molokaʻi, Lānaʻi en het eiland Hawaï.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Op Oʻahu levert het natte laagland de beste kans: de kustvlakte bij ʻEwa, de randen van de Pearl Harbor-vijvers en het moerassige grasland in de Hanalei-vallei op Kauaʻi. Ga vroeg in de ochtend en zoek naar grashalmen die zonder wind bewegen; het dunne, aanhoudende geroep verraadt de groep voordat je hem ziet.
Staat van instandhouding
De soort staat in de laagste categorie van de Rode Lijst: het Aziatische areaal is zeer groot en de aantallen zijn er stabiel, ondanks plaatselijke bestrijding in de rijstbouw en vangst voor de kooivogelhandel. De Hawaiiaanse vogels vallen buiten die beoordeling en zijn als ingevoerde soort niet beschermd. Ze houden zich aan omgezet, vochtig laagland en komen niet in het hooggelegen inheemse bos waar de bedreigde honingkruipers leven; hun invloed op inheemse soorten wordt daarom als gering beschouwd.
Wetenschappelijke naam
Lonchura atricapilla | (Vieillot, 1807)
Vieillot beschreef de soort in 1807 als Loxia atricapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Latijnse ater 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', dus 'zwartkoppig'. De geslachtsnaam Lonchura, in 1832 ingevoerd door William Henry Sykes, komt van het Griekse lonchē 'speerpunt' en oura 'staart'. Vieillot gaf als herkomst alleen 'Les Grandes-Indes'; die typelocatie is later beperkt tot Neder-Bengalen. De Nederlandse naam benoemt de kastanjebruine romp; 'non' is de oude kooivogelnaam voor deze groep, naar het zwart-met-bruine kleed.




