Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Lavendelastrild
Lavendelastrild | Glaucestrilda caerulescens
Lavender Waxbill | Estrilda azulada
De lavendelastrild is een kleine West-Afrikaanse prachtvink die blauwgrijs is met een karmijnrode stuit en staart. In het gidsgebied leeft hij alleen op de Hawaïaanse eilanden, waar hij in de jaren zestig uit de kooivogelhandel loskwam en zich op de droge westkant van het eiland Hawaï vestigde.
Geluid
De roep is een hoog, piepend tsiep of tsjiep, vaak twee- of driemaal herhaald en met een opgaande toon aan het eind; groepjes houden er onderling contact mee en het is meestal het eerste wat je van de soort merkt. De zang van het mannetje begint met enkele korte, hoge notities en gaat over in langere, lagere en meer gedragen tonen. Bij het foerageren klinkt daarnaast een kort, droog tek.
Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · Ginak Kajata, Lower Niumi, Kerewan, Gambia · xeno-canto
Herkenning
Het hele lichaam is zacht blauwgrijs, iets lichter op de kop en de onderdelen en donkerder op vleugels en rug. De stuit, de bovenstaartdekveren en de vrij lange, wigvormige staart zijn karmijnrood — in vlucht het best zichtbare kenmerk. Op de flanken staan enkele kleine witte stippen, en door het oog loopt een smalle zwarte streep. De snavel is kort en kegelvormig, roodachtig met een zwarte punt en zwarte ondersnavel; de poten zijn grijszwart. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en missen de witte flankstippen.
Verwarringssoorten
Binnen het gidsgebied is er geen soort die deze combinatie van egaal blauwgrijs kleed en rode stuit heeft; verwarring is vrijwel uitgesloten zodra de vogel goed wordt gezien. Op afstand of tegen het licht kan een klein groepje op muskaatvinken of zilverbekjes lijken, maar die zijn bruin, respectievelijk zandkleurig met een zwarte stuit. De rode stuit roept op een korte blik de gedachte aan een andere astrild op — zoals het sint-helenafazantje, dat echter fijn dwarsgestreept is en een rode oogstreep heeft.
Leefgebied
Droog, open terrein met zandige of stenige bodem, verspreide struiken en lage grassen. In Afrika is dat doornstruweel en droge savanne; op Hawaï de oude lavastromen en het overbegraasde weideland van de Kona-kust, met daarnaast tuinen, parken, hotelterreinen en bosranden. Hij foerageert op de grond en laag in de struiken en nestelt in lage struiken, in graspollen of tussen stenen. Nat, gesloten bos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het oorspronkelijke areaal ligt in de Sahel en de Soedanzone van West-Afrika, van Senegambia oostwaarts tot Zuidwest-Tsjaad, Noord-Kameroen en de Centraal-Afrikaanse Republiek. In het gidsgebied gaat het uitsluitend om ingevoerde vogels: in de jaren zestig losgelaten of ontsnapt op het eiland Hawaï, waar de populatie zich op de droge westhelling langs de Kona-kust handhaaft. Meldingen van Maui en Oʻahu betreffen kleine of onregelmatige aantallen; het zwaartepunt ligt op het eiland Hawaï. Buiten Hawaï is de soort in Noord-Amerika niet gevestigd.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Zoek langs de Kona-kust op het eiland Hawaï, op de lavavelden met kiawe (Prosopis pallida, een geïntroduceerde Zuid-Amerikaanse doornstruik) en droog gras en in de tuinen daarachter. Ga in de vroege ochtend en let eerst op het geluid: het hoge piepende geroep komt meestal uit een lage struik voordat de vogels zichtbaar worden. Zodra er een opvliegt is de rode stuit tegen het grijze lichaam op enige afstand te zien.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst plaatst de soort in de categorie niet bedreigd (LC): het Afrikaanse areaal beslaat naar schatting ruim zeshonderdduizend vierkante kilometer en er is geen afname vastgesteld, al wordt de soort voor de kooivogelhandel gevangen. De Hawaïaanse populatie is klein en beperkt tot één droge kuststrook; als ingevoerde soort is ze niet beschermd. Ze blijft in reeds omgevormd, laaggelegen terrein en raakt het hooggelegen inheemse bos niet.
Wetenschappelijke naam
Glaucestrilda caerulescens | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla caerulescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam caerulescens is Latijn voor 'blauwachtig', van caeruleus 'hemelsblauw'. De geslachtsnaam Glaucestrilda is bij een recente opsplitsing van Estrilda gevormd uit het Griekse glaukos 'blauwgrijs' en de oudere geslachtsnaam Estrilda zelf, die teruggaat op de kooivogelnaam 'astrild'. Vieillot noemde als herkomst alleen de 'Zone Torride'; de typelocatie is later vastgelegd op Senegal. De Nederlandse en Engelse naam noemen allebei de lavendelkleur van het kleed.




