Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Sint-helenafazantje
Sint-helenafazantje | Estrilda astrild
Common Waxbill | Estrilda común
Het sint-helenafazantje is een kleine Afrikaanse prachtvink die als kooivogel over de halve wereld is verspreid en op Hawaï is ingeburgerd. De fijne dwarsbanering, de rode oogstreep en de lakrode snavel maken hem herkenbaar; op Oahu is hij een van de talrijkste landvogels van het laagland geworden.
Geluid
De roep is een hoog, nasaal tsjiep of pit, dat groepjes onophoudelijk laten horen en waaraan een vlucht al te horen is voordat hij zichtbaar wordt. De zang is een korte, raspende strofe van drie of vier tonen die op de laatste noot omlaag valt; het mannetje draagt hem voor vanaf een grasstengel of een draad, met de staart zijwaarts bewogen. Bij verstoring gaat de hele groep over op een snel, zoemend geratel en duikt tegelijk het hoge gras in.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Aljarafe (near Aznalcázar), Sevilla, Andalucía, Spain · xeno-canto
Herkenning
Grijsbruin van boven en vuilwit tot roze van onderen, over het hele lichaam fijn donker dwarsgestreept, met een brede karmijnrode streep door het oog en een lakrode snavel. Midden op de buik zit bij de volwassen vogel een rode vlek, die bij het mannetje groter en dieper van kleur is dan bij het vrouwtje; de onderstaartdekveren zijn zwart. De staart is lang, donker en trapsgewijs en wordt in rust voortdurend op en neer of zijwaarts bewogen. Jonge vogels hebben een zwarte snavel, een vagere streping en geen rode buikvlek.
Verwarringssoorten
De tijgervink heeft eveneens een rode snavel, maar witte stippen in plaats van dwarsbanden en een kortere, effen zwarte staart. Het zilverbekje heeft een dikke blauwgrijze snavel en een ongestreept lichaam. De lavendelastrild is egaal blauwgrijs met een rode stuit en staart en mist de dwarsbanering. Het rode oogmasker in combinatie met de fijne banering en de zwarte onderstaartdekveren houdt het sint-helenafazantje op Hawaï los van alle andere prachtvinken.
Leefgebied
Open terrein met hoog gras en ruigte: oevers van vijvers en irrigatiekanalen, rietkragen, braakliggende suikerrietvelden, wegbermen, weiland, parken en tuinen met zaaddragend gras. Water in de buurt is een vaste factor. Op Hawaï zit hij vooral in het laagland, maar hij is doorgedrongen tot bergweiden en open terrein op ruim 1500 meter in Hawaii Volcanoes National Park.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het oorspronkelijke areaal is Afrika ten zuiden van de Sahara; via de kooivogelhandel ontstonden populaties op Sint-Helena, Mauritius, in Portugal en Spanje, in Brazilië en op Trinidad, en op Tahiti. Op Hawaï werd de eerste groep in november 1973 bij Ewa Beach op Oahu gezien; in de jaren tachtig bezette de soort het hele laagland van dat eiland. Op Hawaï-eiland werd hij in 2002 bij Kona vastgesteld en breidde hij zich uit naar Hilo, South Point en Hawaii Volcanoes National Park. Op Maui houdt een kleine populatie stand bij Kealia Pond en Kihei; op Kauai en Molokai gaat het om losse waarnemingen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek langs de randen van vijvers en kanalen in het laagland van Oahu, waar groepen van tientallen tot honderden vogels de zaadpluimen van hoog gras afwerken. Het hoge tsjiep verraadt ze eerder dan het oog; kijk daarna op de rode oogstreep en de buikvlek, want de banering is op afstand niet te zien.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd te boek, is in Afrika wijdverbreid en talrijk en breidt in bijna alle gebieden waar hij is losgelaten zijn areaal uit. Op Hawaï vormt hij geen beschermingsvraagstuk maar een beheersvraagstuk: hij eet en verspreidt zaad van uitheemse grassen en komt vooral voor in laagland dat de inheemse bosvogels al hebben verlaten. Er wordt geen bestrijding uitgevoerd en de aantallen nemen op Oahu en Hawaï-eiland nog toe.
Wetenschappelijke naam
Estrilda astrild | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia Astrild; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, afgeleid van dezelfde soortnaam. De herkomst van astrild is onzeker: het gaat vermoedelijk om een oude Duitse of Nederlandse handelsnaam voor deze vinkjes, of om een drukfout. De Engelse naam waxbill slaat op de snavel, die de kleur van zegellak heeft; de Nederlandse naam verwijst naar Sint-Helena, waar handelsschepen deze kooivogels innamen. De typelocatie is later vastgelegd op Kaapstad.





