Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Tijgervink
Tijgervink | Amandava amandava
Red Avadavat | Bengalí rojo
De tijgervink is een klein Aziatisch prachtvinkje dat via de kooivogelhandel op Hawaï terechtkwam en daar sinds het begin van de twintigste eeuw broedt. Het mannetje in broedkleed is rood met witte stippen; het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn grijsbruin en alleen aan de rode snavel en rode stuit te herkennen.
Geluid
De roep is een enkele, lage, dunne psieep, die meestal in de vlucht klinkt en waarmee de leden van een groepje contact houden. Daarnaast klinkt een kort tsjik bij het opvliegen. De zang van het mannetje is een zacht, ijl reeksje hoge en lage tonen zonder vast einde, vanaf een grasstengel voorgedragen en op een paar meter afstand al nauwelijks meer hoorbaar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een van de kleinste vogels van Hawaï, met een korte, kegelvormige rode snavel en een korte, afgeronde zwarte staart. Het mannetje in broedkleed is karmijnrood op kop, borst, flanken en stuit, met over het hele lichaam kleine ronde witte stippen en zwartachtige vleugels. Buiten de broedtijd verliest hij dat rood en wordt hij olijfbruin van boven en vuilwit van onderen, met alleen de rode stuit en snavel over. Het vrouwtje lijkt daarop, maar is grijzer, met een donker oogstreepje, een gele waas op de buik en enkele witte stippen op de vleugeldekveren.
Verwarringssoorten
Het sint-helenafazantje heeft ook een rode snavel, maar is over het hele lichaam fijn dwarsgebandeerd, heeft een lange trapsgewijze staart en een brede rode oogstreep. Het zilverbekje is bleek zandkleurig met een dikke blauwgrijze snavel en een lange spitse staart. Bij grijsbruine tijgervinken zijn de rode stuit, de rode snavel en de zeer korte zwarte staart samen beslissend; een grijsbruin vogeltje met witte stippen op de vleugel is vrijwel altijd een tijgervink.
Leefgebied
Hoog gras, riet en ruigte in vlak, open laagland, vrijwel altijd dicht bij water: oevers van vijvers en reservoirs, irrigatiesloten, drassige weilanden, braakliggende akkers en de randen van suikerriet- en ananasvelden. Bos en gesloten struweel mijdt hij. Hij blijft op Hawaï grotendeels onder de 300 meter en zoekt zijn voedsel, grassenzaad en kleine insecten, lopend op de grond of hangend aan de halm.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het oorspronkelijke areaal loopt van Pakistan en India door Nepal en Bangladesh tot Myanmar, Zuid-China, Indochina en Java. Via de kooivogelhandel ontstonden populaties in Zuid-Spanje, Egypte, Japan, Maleisië en op Puerto Rico. Op Hawaï werd hij begin twintigste eeuw ingevoerd; hij heeft standhouden op Oahu, Kauai en Hawaï-eiland, met de grootste aantallen in de vochtige laaglandvlakten. De aantallen schommelen sterk per jaar en per plek, afhankelijk van het beheer van de velden en de stand van het gras.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans geven graskragen langs vijvers en rijstveldachtige laagtes in de vroege ochtend, als groepjes van vijf tot twintig vogels laag over het gras van de ene pol naar de andere vliegen. Luister naar het dunne psieep in de vlucht; een rood mannetje valt van ver op, maar buiten de broedtijd moet je het van de rode snavel en stuit hebben.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd te boek: het areaal in Azië is groot en de aantallen zijn er hoog, al wordt er plaatselijk nog steeds voor de kooivogelhandel gevangen. Op Hawaï is de populatie klein en plaatselijk vergeleken met de andere ingevoerde prachtvinken en er wordt geen bestrijding uitgevoerd. Omdat hij in vlak, bewerkt laagland zit, overlapt hij nauwelijks met de inheemse bosvogels van de hooglanden.
Wetenschappelijke naam
Amandava amandava | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla amandava; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amandava werd in 1836 ingevoerd door Edward Blyth. Zowel de geslachts- als de soortnaam gaat terug op Ahmedabad in Gujarat, de havenstad vanwaaruit deze vogeltjes vroeger als kooivogel werden uitgevoerd; de Engelse naam avadavat is dezelfde plaatsnaam in verbasterde vorm. De Nederlandse naam tijgervink verwijst naar de stippeling van het mannetje. De typelocatie is vastgelegd op Calcutta in Oost-India.





