Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Roodkeelstrandloper

Roodkeelstrandloper | Calidris ruficollis

Red-necked Stint | Correlimos cuellirrojo

De roodkeelstrandloper is een Aziatische dwerg die de Beringstraat oversteekt: in het westen van Alaska broeden kleine aantallen op de kusttoendra, aan de uiterste rand van een areaal dat verder helemaal in Siberië ligt. In broedkleed is de baksteenrode keel kenmerkend, in winterkleed lijkt hij op elke andere kleine strandloper. Vrijwel de hele populatie overwintert in Australië en Zuidoost-Azië.

Roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een schrale, hoge kriet of tsjrik, meestal herhaald op het moment dat een groepje opvliegt. Wordt de vogel opgeschrikt, dan volgt een korte, ratelende triller. Het mannetje zingt boven de toendra in een fladderende, glijdende baltsvlucht: een langgerekt nasaal korrik korrik korrik, afgewisseld met een diepe oe-aah. In Noord-Amerika hoor je vrijwel altijd alleen de roep, en die is nauwelijks te scheiden van die van de grijze strandloper.

Luister: VluchtroepXC840811

Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · Jiuduansha Wetland National Nature Reserve, Shanghai, China · xeno-canto

Herkenning

Een kleine strandloper met een korte, rechte zwarte snavel, zwarte poten en vleugelpunten die in rust tot voorbij de staart reiken, wat hem een langgerekt achterlijf geeft. In broedkleed zijn gezicht, keel en bovenborst egaal roestrood, scherp begrensd door een rij donkere vlekjes op de borstzijden; de schouderveren zijn zwart met roodbruine randen. In winterkleed is hij effen lichtgrijs boven en wit onder, met een vage lichte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben roestbruine bovenste schouderveren en effen grijze onderste, en slechts een flauwe witte V op de mantel. Man en vrouw zijn gelijk getekend; het vrouwtje is gemiddeld iets groter.

Verwarrings­soorten

In Alaska is de kleine strandloper (Calidris minuta) de meest gelijkende soort: die heeft langere poten, een fijnere snavelpunt en in juveniel kleed een duidelijker witte mantel-V en een gespleten wenkbrauwstreep. De grijze strandloper (C. pusilla) heeft kleine zwemvliesjes tussen de tenen en mist het egale rood op de keel; in broedkleed is hij grauw waar de roodkeelstrandloper roest is. De Alaskastrandloper (C. mauri) heeft een langere, aan de punt gebogen snavel en draagt het rood op kruin, wang en schouderveren, niet op de keel. Een drieteenstrandloper in voorjaarskleed is duidelijk groter, dikker van snavel en witter op de buik.

Leefgebied

In Alaska broedt hij op vlakke, natte kusttoendra en op drogere heuveltoendra niet ver van zee, meestal in losse groepjes op mosbulten. Buiten de broedtijd is dit een vogel van slikplaten, estuaria, zoutpannen en ondiepe kustlagunes, waar hij aan de waterlijn loopt en snel oppikt in plaats van diep te boren. Binnenlandse zoetwaterplassen gebruikt hij weinig; het open, kale slik van de getijdenzone is zijn eigenlijke leefgebied. In het Aziatische winterkwartier hoort hij tot de talrijkste steltlopers van de wadgebieden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied ligt vrijwel geheel in Noordoost-Siberië, van het schiereiland Tajmyr oostwaarts tot Tsjoekotka en Noord-Kamtsjatka; in Noord-Amerika broedt hij alleen plaatselijk en onregelmatig in westelijk Alaska, onder meer op het Seward-schiereiland. Op trek is hij in klein aantal jaarlijks te zien op de eilanden in de Beringzee en langs de westkust van Alaska. Van daar volgt hij de Oost-Aziatische trekroute naar Zuidoost-Azië, Australië en Nieuw-Zeeland. Elders in Noord-Amerika is hij een zeldzame dwaalgast, meestal een volwassen vogel die in juli op de terugtrek nog broedkleed draagt.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is begin juni op de kusttoendra bij Nome of op de eilanden in de Beringzee, wanneer de vogels hun rode keel dragen en de baltsvlucht nog aan de gang is. Elders in Noord-Amerika loont het om in juli groepen kleine strandlopers na te lopen: een volwassen vogel met een egaal roestrode keel valt tussen de grauwe grijze strandlopers meteen op. Let bij twijfel op de korte poten en de lange vleugelpunten, die het achterlijf uitgerekt doen lijken.

Staat van instandhouding

De populatie is geschat op ruim driehonderdduizend vogels, maar de aantallen langs de Oost-Aziatische trekroute lopen hard terug. De oorzaak ligt vooral in het verdwijnen van de wadgebieden van de Gele Zee, waar de vogels op weg naar Australië hun vetvoorraad aanvullen: inpoldering en havenbouw hebben daar het grootste deel van de slikplaten weggenomen. De IUCN classificeert de soort daarom als gevoelig (NT). Over de aantallen in het Alaskaanse deel van het areaal is te weinig bekend om een trend te zien.

Wetenschappelijke naam

Calidris ruficollis | (Pallas, 1776)

Peter Simon Pallas beschreef de soort in 1776 als Trynga ruficollis; door de latere plaatsing in Calidris staan auteur en jaartal tussen haakjes. ruficollis is Latijn voor 'roodhalzig', van rufus (roodbruin) en collum (hals) — precies wat het broedkleed laat zien. De geslachtsnaam Calidris gaat terug op kalidris, het woord dat Aristoteles voor een grijze oevervogel gebruikte. Het beschreven exemplaar kwam van de zoutmeren van Dauurië, bij Kulussutai in het zuiden van Transbaikalië.