Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Temmincks strandloper

Temmincks strandloper | Calidris temminckii

Temminck's Stint | Correlimos de Temminck

Temmincks strandloper is in Noord-Amerika een zeldzame gast uit Eurazië: enkele vogels per jaar op de Aleoeten en de eilanden in de Beringzee, en verder vrijwel niets. Het is een onopvallende, grijsbruine dwerg op gele pootjes die zich muisstil tussen de oevervegetatie drukt. Bij het opvliegen verraden witte buitenste staartpennen en een krekelachtige triller hem onmiddellijk.

Temmincks strandloper (Calidris temminckii)
Foto: Imran Shah — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een droge, ratelende tirrr, snel herhaald of uitgerekt tot tirrr-r-r-r — een krekelgeluid dat geen andere kleine strandloper maakt. Juist die roep is in Alaska vaak het eerste en soms het enige kenmerk waarop de soort wordt vastgesteld. Boven het broedgebied zingt het mannetje minutenlang een golvende, aanhoudende triller, hangend in de lucht met de vleugels omhoog in een V-vorm. Verder is het een zwijgzame vogel, die zich liever wegdrukt dan roept.

Luister: VluchtroepXC1167409

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Karigasniemi, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen strandloper met korte gele tot geelgroene poten, een kort donker snaveltje en een horizontale, kruipende houding. Het verenkleed is eentonig: grijsbruin op kop, borst en bovendelen, met een scherpe grens naar de witte buik en zonder wenkbrauwstreep van betekenis. In broedkleed liggen er verspreid zwarte en roestbruine veren op mantel en schouder, maar het geheel blijft dof. De staart steekt in rust voorbij de vleugelpunten uit, en in de vlucht zijn de witte buitenste staartpennen doorslaggevend. Opgeschrikt gaat hij niet laag weg maar klimt hij steil en ratelend de lucht in.

Verwarrings­soorten

De kleinste strandloper (Calidris minutilla) heeft ook gele poten, maar is bruiner en veel sterker getekend, met een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en donkere buitenste staartpennen. De taigastrandloper (C. subminuta) heeft eveneens gele poten maar staat rechtop op lange poten, heeft een lange middelteen en een veel contrastrijker kleed. De kleine strandloper (C. minuta) en de grijze strandloper (C. pusilla) zijn zwart van poot, al kan opgedroogde modder de pootkleur bedrieglijk maken. Geven de kleuren geen uitsluitsel, dan doen de effen borst, de horizontale houding en de ratelende roep dat wel.

Leefgebied

Hij mijdt het open wad. Wat hij zoekt zijn beschutte, begroeide oevers: slootkanten, natte weiden, ondergelopen graslanden, de randen van kleine poelen en bezinkvelden, waar hij tussen de vegetatie wegkruipt. In Alaska worden de meeste vogels dan ook niet op een slikplaat gevonden maar aan een grazige poel of een drassige greppel bij een dorp. In het broedgebied gaat het om toendra en veenmoeras met dwergstruweel, vaak vlak bij water, van Scandinavië tot Tsjoekotka.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt in een brede band door het noorden van Eurazië, van Noorwegen en Zweden oostwaarts tot het schiereiland Tsjoekotka, dus tot vlak bij Alaska. Overwinterd wordt van het Middellandse Zeegebied en de Sahel tot India, Zuid-China en Japan, vrijwel altijd aan zoet water in het binnenland en zelden aan de kust. In Noord-Amerika is hij een zeldzame doortrekker in westelijk Alaska, vooral in het late voorjaar op de westelijke Aleoeten, de Pribilofeilanden en Sint-Laurenseiland. Waarnemingen buiten Alaska zijn hoge uitzonderingen en er zijn geen aanwijzingen dat hij op het continent broedt.

Waar en wanneer kijken

Ga in de laatste week van mei of de eerste van juni naar een grazige poel op Attu, Adak of Saint Paul en let vooral op geluid: de krekeltriller verraadt de vogel voordat je hem ziet. Loop de begroeide randen af in plaats van de open slikplaat, en jaag hem niet op — een opgeschrikte Temmincks strandloper verdwijnt steil de lucht in en komt zelden op dezelfde plek terug. Wie hem vindt, doet er goed aan de vlucht te filmen: de witte buitenste staartpennen zijn dan op beeld vast te leggen.

Staat van instandhouding

De schattingen lopen ver uiteen, van tweehonderdduizend tot ruim een miljoen vogels, wat vooral laat zien hoe slecht de aantallen in het Siberische deel van het areaal bekend zijn. De IUCN classificeert de soort als niet bedreigd (LC). In het zuiden van het Europese broedgebied, in Fennoscandinavië, zijn de aantallen wel afgenomen doordat geschikte oevers dichtgroeien en worden ontwaterd. Voor Noord-Amerika heeft dat weinig betekenis: het gaat hier om enkele vogels per jaar aan de rand van het continent.

Wetenschappelijke naam

Calidris temminckii | (Leisler, 1812)

Johann Philipp Achilles Leisler beschreef de soort in 1812 als Tringa Temminckii; door de latere plaatsing in Calidris staan auteur en jaartal tussen haakjes. De naam eert Coenraad Jacob Temminck (1778–1858), de Amsterdamse vogelkundige die de eerste directeur werd van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. De geslachtsnaam Calidris gaat terug op kalidris, het woord dat Aristoteles voor een grijze oevervogel gebruikte. Het beschreven exemplaar kwam niet uit de toendra maar uit Hanau am Main in Duitsland, waar Leisler woonde en de vogel op doortrek verzamelde.