Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Steltstrandloper

Steltstrandloper | Calidris himantopus

Stilt Sandpiper | Correlimos zancolín

De steltstrandloper is de strandloper die zich als een snip gedraagt: op lange groengele poten waadt hij tot aan de buik het ondiepe zoete water in en boort daar verticaal in de zachte modder. Het is een vogel van regenplassen en ondergelopen weilanden in het binnenland, niet van het strand. In vijftig jaar is meer dan de helft van de populatie verdwenen.

Steltstrandloper (Calidris himantopus)
Foto: dominic sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten het broedgebied is hij stil; wat je hoort is een lage, korte rrit, vaak uit een overvliegende groep. Bij onenigheid aan de waterkant klinkt een zoemend bzzr dat aan een nachtzwaluw doet denken. Boven de toendra zingt het mannetje in de vlucht: een aanzwellende reeks rauwe ratels die eindigt in een omhooglopend, nasaal errieee. Op doortrek in de Verenigde Staten en Canada hoor je vrijwel alleen de korte roep, en die gaat gemakkelijk verloren in het rumoer van een gemengde groep steltlopers.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote steltloper met opvallend lange, groengele poten, een lange dunne hals en een vrij slanke snavel die aan de punt licht naar beneden buigt. In broedkleed is de onderzijde van keel tot staart dwars gebandeerd in donkerbruin en wit, met een roestbruine wang en kruin, een lichte wenkbrauwstreep en een donkere teugelstreep. In winterkleed is hij effen grijs boven en wit onder, met een grijze borst en een witte wenkbrauw; jonge vogels zijn donkerder en zien er geschubd uit door de lichte randen aan de rugveren. In de vlucht valt de witte stuit op en steken de poten ver voorbij de staart uit. Man en vrouw zijn gelijk getekend, al is het vrouwtje gemiddeld iets groter en langsnaviger.

Verwarrings­soorten

De grootste kans op verwarring geven de grijze snippen: de grote en de kleine grijze snip (Limnodromus scolopaceus en L. griseus) hebben kortere poten, een langere en rechte snavel en een donkerdere rug. De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes) is groter, heeft een rechte snavel en veel fellere gele poten. De gestreepte strandloper (Calidris melanotos) heeft een kortere snavel en een scherpe grens tussen gestreepte borst en witte buik. In Europa is de krombekstrandloper (C. ferruginea) de tegenhanger; die heeft zwarte poten en een gelijkmatiger gebogen snavel.

Leefgebied

Op trek en in de winter is dit een vogel van ondiep zoet water: regenplassen op de prairie, zoetwatermoerassen, verlandende oevers van reservoirs, bezinkvijvers van waterzuiveringen en ondergelopen weilanden en akkers. Hij mijdt het zandstrand en de branding en is op het zoute wad veel schaarser dan de meeste strandlopers. Wat hij zoekt is water tot aan de buik met een zachte bodem waarin hij verticaal kan boren, zoals een snip dat doet. Op de broedplaats gaat het om vochtige zeggenmoerassen en drogere ruggen in de lage arctische toendra, tussen dwergberk en wilg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in een smalle band toendra van de North Slope van Alaska oostwaarts door Yukon, de Northwest Territories en Nunavut tot aan de Hudsonbaai. De trek gaat vooral over de Great Plains: in augustus staan de grootste groepen op de prairieplassen van de Dakota's, Nebraska en Kansas. Aan de oostkust is hij in het najaar regelmatig maar in kleine aantallen, aan de westkust zeldzaam. Het grootste deel overwintert in Zuid-Amerika, van Peru en Brazilië tot in de Argentijnse pampa's — dat ligt buiten het kaartvenster; kleinere aantallen blijven in Florida, aan de Golfkust, in Mexico en in het Caraïbisch gebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in augustus en begin september op een ondiepe zoetwaterplas waar grijze snippen staan: tussen die kortpotige vogels valt hij op door zijn lange groengele poten en de duidelijke witte wenkbrauw. Let vooral op de manier van eten — hij waadt dieper dan de rest en boort met kop en hals onder water, met de staart omhoog. In het voorjaar, in mei, is de kans het grootst in de staten van het middenwesten, en dan draagt hij het gebandeerde broedkleed dat hem onmiskenbaar maakt.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 1,2 miljoen vogels geschat, maar in vijftig jaar is meer dan de helft verdwenen en de afname is het laatste decennium versneld. In het noorden van Canada, waar sneeuwganzen de toendra kaal grazen, liepen broedpopulaties in dertig jaar met ongeveer negentig procent terug. Daarnaast spelen olie- en gaswinning in het broedgebied, het verlies van binnenlandse wetlands op de trekroute en de jacht in de Caraïben en Zuid-Amerika een rol. De IUCN rekent hem daarom tot de gevoelige soorten (NT).

Wetenschappelijke naam

Calidris himantopus | (Bonaparte, 1826)

Charles Lucien Bonaparte beschreef de soort in 1826 als Tringa himantopus; omdat ze later in Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lange tijd stond ze zelfs in een eigen geslacht, Micropalama. himantopus is Grieks voor 'riemvoet', van himas (riem) en pous (voet) — hetzelfde woord als de geslachtsnaam van de steltkluten, en het slaat op de opvallend lange, dunne poten. De geslachtsnaam Calidris gaat terug op kalidris, het woord dat Aristoteles voor een grijze oevervogel gebruikte. Het beschreven exemplaar kwam van Long Branch in New Jersey.