Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Roodoogkoevogel
Roodoogkoevogel | Molothrus aeneus
Bronzed Cowbird | Tordo ojirrojo
De roodoogkoevogel is de grootste van de drie koevogels van Noord-Amerika, herkenbaar aan het rode oog en aan de nekkraag die het mannetje kan opzetten. Hij legt zijn eieren in nesten van andere soorten en bouwt zelf geen nest; troepialen zijn zijn belangrijkste gastheren.
Geluid
De zang van het mannetje is een korte reeks hoge, ijle en piepende tonen met een gorgelend begin, moeilijk te lokaliseren en zonder duidelijke melodie. In de vlucht klinkt een droge, ratelende tsjrr. De contactroep is een hard tsjek. Het mannetje zingt tijdens een baltsvlucht waarin hij met snelle, ondiepe vleugelslagen boven het vrouwtje blijft hangen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Minas Nuevas, Álamos, Sonora, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Beide geslachten hebben een rood oog, in het broedseizoen helderder dan daarbuiten. Het mannetje is zwart met een bronsgroene glans op kop en romp en een blauwpaarse glans op de vleugels; de veren van nek en mantel zijn verlengd en vormen een kraag die bij de balts wordt opgezet, waardoor de kop klein en ingetrokken lijkt. De snavel is zwaar en recht. Het vrouwtje is in Texas en Mexico vrijwel even zwart als het mannetje, maar zonder glans; in Arizona en Californië is ze grijsbruin. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar hebben een donker oog en gestreepte onderdelen.
Verwarringssoorten
De bruinkopkoevogel is kleiner, heeft een donker oog, een ronde kop zonder kraag en een kortere snavel; het mannetje heeft een bruine kop. De glanskoevogel heeft eveneens een donker oog, een slanker lichaam en een spitsere snavel. Brewers troepiaal en de glanstroepiaal zijn langer van staart en slanker; het mannetje van Brewers troepiaal heeft een geel oog, niet rood. Bij de grijsbruine vrouwtjes uit Arizona is het rode oog vaak het enige zekere kenmerk op afstand.
Leefgebied
Open en halfopen laagland: veekralen, weiland, akkerland, golfterreinen, dorpsranden, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes)-struweel en de bosrand langs rivieren. Hij foerageert op de grond in groepen, vaak tussen vee. Buiten het broedseizoen slaapt hij in dichte bosjes en rietvelden. In Mexico en Midden-Amerika komt hij ook in agrarisch gebied tot in de bergen voor.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In de Verenigde Staten broedt hij van Zuid-Californië over Arizona en Zuid-New Mexico naar Texas, met een oostelijke uitloper tot in Zuid-Louisiana. Daar is hij grotendeels zomervogel, al blijft een deel in Zuid-Texas en Zuid-Arizona overwinteren. Het areaal loopt door over vrijwel heel Mexico, inclusief het schiereiland Yucatán, en verder over Guatemala, Belize, Honduras en El Salvador tot Nicaragua en Panama. De noordgrens is in de twintigste eeuw opgeschoven met de uitbreiding van geïrrigeerd land.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei en juni tussen de koevogels bij een veekraal of een picknickveld in Zuid-Texas of Zuidoost-Arizona. Kijk eerst naar het oog: bij goed licht springt het rood eruit op tientallen meters. Een mannetje dat de kraag opzet en vlak boven een vrouwtje in de lucht blijft hangen, is meteen op naam te brengen.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC) en het areaal breidde in de vorige eeuw noordwaarts uit. De aandacht gaat uit naar de gastheren: in Zuid-Texas leggen roodoogkoevogels in een groot deel van de nesten van maskertroepiaal en zwartkoptroepiaal, en het laatste jaar dat de zwartkoptroepiaal in een deel van zijn Texaanse areaal broedde, viel samen met hoge parasiteringspercentages. Waar bedreigde zangvogels worden beschermd, worden koevogels lokaal weggevangen.
Wetenschappelijke naam
Molothrus aeneus | (Wagler, 1829)
Wagler beschreef de soort in 1829 als Psarocolius aeneus; omdat ze later in Molothrus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Molothrus werd in 1832 door Swainson ingevoerd en gaat terug op een Grieks woord voor 'indringer' of 'bedelaar', naar het broedparasitisme. De soortnaam aeneus is Latijn voor 'van brons', naar de bronsgroene glans van het mannetje. De typelocatie werd later vastgelegd op Laguna in Veracruz, Mexico.





