Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bruinkopkoevogel
Bruinkopkoevogel | Molothrus ater
Brown-headed Cowbird | Tordo cabeza café
De bruinkopkoevogel bouwt geen nest en broedt zijn eieren niet uit: het vrouwtje legt ze in het nest van een andere zangvogel en laat die het werk doen. Er zijn meer dan tweehonderd gastheersoorten van beschreven, en één vrouwtje kan er in één zomer enkele tientallen leggen. Het is de broedparasiet die over het grootste deel van Noord-Amerika verspreid is, en hij komt in de gids dan ook telkens terug in de tekst over een andere vogel.
Geluid
De zang van het mannetje is een korte, borrelende inleiding gevolgd door twee ijle, hoge fluittonen, gloe-gloe-glie, waarbij hij zijn vleugels laat hangen en diep voorover buigt. Daarnaast heeft hij een reeks scherpe fluitjes, psie-tsjie-tsjie, die hij vanaf een draad of in de vlucht laat horen. Het vrouwtje antwoordt met een droge ratel, tsjrr, vaak vlak voordat ze een nest bezoekt. De hoogste tonen van de zang liggen zo hoog dat niet iedereen ze nog hoort; wat er dan overblijft is het borrelen aan het begin.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Lotbinière (near Notre-Dame-du-Sacré-Coeur-d'Issoudun), Chaudière-Appalaches, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is glanzend zwart met een dofbruine kop en hals, en bij zijlicht lijkt die kop bijna van een andere vogel te komen. Het vrouwtje is effen grijsbruin, iets lichter op de keel, met een vage streping op de onderdelen en een donker oog zonder tekening eromheen. Beide hebben een korte, dikke kegelsnavel, een vrij zware kop en een korte staart; op de grond lopen ze met de staart iets omhoog. Jonge vogels zijn grijsbruin met lichte veerranden op de rug, waardoor de bovenkant geschubd lijkt, en met grove strepen op borst en buik. Zo'n jong wordt vaak gevoerd door een pleegouder die half zo groot is als hijzelf, en dat beeld wijst de soort sneller aan dan welk kenmerk ook.
Verwarringssoorten
De spreeuw is even donker maar heeft een lange, spitse snavel, een nog kortere staart en driehoekige vleugels, en hij is buiten de broedtijd dicht wit gespikkeld. De epauletspreeuw is langer van staart en spitser van snavel, en het mannetje draagt rode schouders. Het vrouwtje van de koevogel wordt het vaakst voor een gors of een mus aangezien; dan beslissen de korte, hoge kegelsnavel, het effen grijsbruin zonder gezichtstekening en de vage streping. In het zuidwesten komt de roodoogkoevogel (Molothrus aeneus) erbij: die is groter, heeft een rood oog, en het mannetje zet in de balts een nekkraag bol.
Leefgebied
Halfopen land met korte vegetatie en een bosrand of houtwal in de buurt: weiden met vee, gemaaide velden, erven, bermen, gazons en voederplaatsen. Hij zoekt zijn voedsel lopend op de grond, vaak tussen grazende dieren die insecten opjagen, en gebruikt de bosrand om nesten op te sporen. Aaneengesloten bos mijdt hij, maar hij dringt er langs elke weg, kapvlakte en akkerrand in; een bos dat in stukken is gesneden bestaat voor hem vrijwel geheel uit rand. Buiten de broedtijd slaapt hij in grote gemengde troepen in riet en dicht struikgewas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van zuidelijk Canada tot in centraal Mexico. Vóór 1800 zat hij vooral op de kortgrasprairie, waar hij met de bizonkuddes meetrok; het openleggen van het oostelijke bos bracht hem in de negentiende eeuw tot aan de Atlantische kust, en in het westen deed de veeteelt hetzelfde. Vogels uit het noorden trekken in het najaar naar het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico, waar ze zich bij de standvogels voegen; in het zuiden is hij het hele jaar aanwezig. Sinds ongeveer 1970 lopen de aantallen in het grootste deel van het areaal weer terug.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni bij een bosrand langs een weiland staan en let op een vogel die stil en laag in een struik zit en nauwelijks beweegt: dat is bijna altijd een vrouwtje dat een nest in de gaten houdt. Vroeg in de ochtend is de kans het grootst; later op de dag zijn de vrouwtjes in het open veld aan het eten. In juli en augustus is het omgekeerde waar te nemen: zoek een kleine zangvogel die een jong voert dat groter is dan hijzelf.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC); de broedpopulatie wordt op ruim honderd miljoen vogels geschat. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1966 niettemin een gestage afname zien, in dezelfde orde als bij andere vogels van het boerenland. De aandacht gaat vooral uit naar wat hij bij anderen aanricht: waar een zeldzame gastheer het ei aanvaardt kan de last te zwaar worden, en bij Kirtlands zanger hoorde het wegvangen van koevogels bij de redding van de soort.
Wetenschappelijke naam
Molothrus ater | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Oriolus ater, bij de wielewalen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Molothrus werd in 1832 ingevoerd door Swainson, die er geen verklaring bij gaf; er worden sindsdien twee lezingen aangehouden, het Griekse molobros, 'klaploper', en een samenstelling van molos, 'inspanning', met throsko, 'bevruchten'. ater is Latijn voor dof zwart, tegenover niger voor glanzend zwart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina, in de typelocatie-vermelding verschreven tot 'Carohna'.




