Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Brewers troepiaal
Brewers troepiaal | Euphagus cyanocephalus
Brewer's Blackbird | Turpial ojiclaro
Brewers troepiaal is de zwarte troepiaal van parkeerterreinen, weilanden en akkers in het westen van Noord-Amerika. Het mannetje is zwart met een paarse glans op de kop en een geel oog; het vrouwtje is grijsbruin met een donker oog. Sinds 1966 is de populatie met ruim de helft afgenomen.
Geluid
De zang is kort en schor: een gepiept, knarsend ksjie van nog geen seconde, vaak voorafgegaan door een of twee lage gorgelende tonen, gebracht met opgezette kopveren en gespreide staart. De gewone roep is een scherp tsjek, in groepen aanhoudend herhaald. Een groep op de grond geeft een ratelend, sissend achtergrondgeluid.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Harriet Rd, Plumas County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is zwart met een paarse glans op kop en hals en een groenblauwe glans op romp en vleugels; het oog is helder geel en valt op tegen het zwart. Het vrouwtje is effen grijsbruin met een donkerbruin oog en zonder streping. Beide geslachten hebben een slanke, spitse snavel, middellange staart met rechte achterrand en betrekkelijk lange poten. Lopend knikt de vogel bij elke stap met de kop.
Verwarringssoorten
De roestkoptroepiaal heeft ook een geel oog, maar een langere, dunnere snavel, en in het winterkleed roestbruine veerranden op kop en rug; hij zit in moerasbos en langs beboste oevers, niet op open akkers. De purperglanstroepiaal is veel groter, met een lange wigvormige staart. De bruinkopkoevogel is kleiner, met een korte kegelvormige snavel, een donker oog en bij het mannetje een bruine kop. De epauletspreeuw heeft rode schouders en een donker oog.
Leefgebied
Open en halfopen terrein, vaak in de buurt van water: weiland, akkerland, oeverzones, kortgrassteppe, bermen, gazons, parkeerterreinen, schoolpleinen en campings, van beneden zeeniveau tot ongeveer 2400 meter. Hij nestelt in losse groepen van soms dertig paren in struiken, bomen of rietkragen. Buiten het broedseizoen vormt hij gemengde groepen met koevogels en andere troepialen op stoppelvelden en bij veebedrijven.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Brits-Columbia en de Canadese prairieprovincies zuidwaarts over de westelijke Verenigde Staten en oostwaarts tot de Grote Meren; in de twintigste eeuw schoof de oostgrens op tot in Michigan en Ontario. In het westen, van Washington tot New Mexico, is de soort het hele jaar aanwezig. De noordelijke en oostelijke broedvogels trekken weg en overwinteren in het zuidoosten van de Verenigde Staten en over vrijwel heel Mexico tot in het zuiden van het land. Ten oosten van de Mississippi is hij als wintergast schaars en onregelmatig.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk op een parkeerterrein of een veekraal in het westen: de vogels lopen tussen de auto's en laten je dichtbij komen. Let bij twijfel eerst op het oog — geel bij het mannetje, donker bij het vrouwtje — en daarna op de slanke snavel, die de soort van elke koevogel scheidt.
Staat van instandhouding
De soort staat als gevoelig (NT) te boek. De tellingen van de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laten sinds 1966 een afname van ongeveer 57 procent zien, ondanks de oostwaartse uitbreiding van het areaal. Genoemde factoren zijn de omzetting van gemengd boerenland in grootschalige monocultuur, bestrijdingsmiddelen die het insectenaanbod verkleinen, en bestrijding op plekken waar de soort als landbouwplaag wordt gezien. Ook wordt de soort gevoelig geacht voor de verschuiving van het klimaat in het westen.
Wetenschappelijke naam
Euphagus cyanocephalus | (Wagler, 1829)
Wagler beschreef de soort in 1829 als Psarocolius cyanocephalus; omdat ze later in Euphagus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Euphagus werd in 1867 door Cassin ingevoerd, van het Griekse eu 'goed' en phagein 'eten'. De soortnaam cyanocephalus komt van kuanos 'donkerblauw' en kephalos 'met een kop', naar de glans op de kop van het mannetje. De Engelse en Nederlandse naam verwijzen naar de Amerikaanse ornitholoog Thomas Mayo Brewer. Het beschreven exemplaar kwam uit Mexico, later toegewezen aan Temascaltepec.






