Alle soortenZangvogelsTroepialen › Glanskoevogel

Glanskoevogel | Molothrus bonariensis

Shiny Cowbird | Tordo renegrido

De glanskoevogel legt zijn eieren in de nesten van andere vogels en bouwt zelf geen nest; er zijn ongeveer 250 soorten bekend die hem grootbrengen. Oorspronkelijk een Zuid-Amerikaanse vogel, heeft hij sinds 1900 de Antillen gekoloniseerd en bereikte hij in 1985 Florida.

Glanskoevogel (Molothrus bonariensis)
Foto: Dario Sanches — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje heeft een hoge, ijle zang: een reeks bellende en gorgelende notities die eindigt in een langgerekte, opklimmende fluittoon, voorgedragen met opgezette veren en hangende vleugels. Daarnaast klinkt een scherp tsjik als contactroep en een snelle, dalende serie ratelende tonen in de vlucht. Het vrouwtje roept een hard, ratelend tsjurr.

Luister: ZangXC242833

Opname: Niels Krabbe — CC BY-SA 4.0 · Azuay: upper Yunguilla Valley, Ecuador · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is geheel zwart met een paarsblauwe glans die over de kop en de borst het sterkst is; in dof licht oogt hij effen zwart. Het oog is donker. De kop is klein en rond, zonder nekkraag, en het profiel loopt vloeiend door in een puntige, kegelvormige snavel. Het vrouwtje is effen grijsbruin, iets bleker op de onderdelen, zonder duidelijke streping en met een vage lichte wenkbrauwstreep. De soort is slanker en langstaartiger dan de bruinkopkoevogel.

Verwarrings­soorten

De bruinkopkoevogel is de belangrijkste verwarringssoort: het mannetje daarvan heeft een bruine kop tegen een zwart lichaam, het mannetje van de glanskoevogel is overal zwart. Bij vrouwtjes is het lastiger — die van de glanskoevogel is donkerder en effener, met een spitsere, langere snavel en een langere staart; jonge vogels zijn in het veld vaak niet met zekerheid te scheiden. De roodoogkoevogel heeft een rood oog en een nekkraag. De zwarte troepiaal en de purperglanstroepiaal zijn veel groter en hebben een langere, wigvormige staart.

Leefgebied

Open en halfopen land met korte vegetatie: weiland, veekralen, akkerrand, wegbermen, parken, picknickplaatsen en dorpsranden, vaak in de buurt van vee. Gesloten bos mijdt hij. De uitbreiding over de Antillen en naar Florida volgde op de omzetting van bos in weiland en suikerriet; in stedelijk gebied zit hij op gazons en rond voederplaatsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het oorspronkelijke areaal beslaat vrijwel heel Zuid-Amerika. Binnen het venster van deze gids is hij standvogel in Venezuela en Colombia, en sinds de twintigste eeuw ook op de Benedenwindse Eilanden, Puerto Rico (vanaf 1955), Hispaniola, Jamaica, Cuba, de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden. In 1985 werd een mannetje in de Florida Keys gezien; in de jaren negentig was de soort daar standvogel. In Florida is hij schaars gebleven en er is nooit een nest met bevestigde eieren of jongen van deze soort gevonden. Losse waarnemingen zijn er verder langs de hele Golfkust en tot in de noordoostelijke staten en Bermuda.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In de Verenigde Staten is Flamingo in Everglades National Park de vasteste plek; kijk daar in het voorjaar tussen bruinkopkoevogels op de grond. Let op het silhouet: kleinere kop, langere en spitsere snavel, langere staart. Een zingend mannetje verraadt zich meteen aan de opklimmende fluittoon aan het eind van de strofe.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd en breidt uit. De zorg gaat niet over de koevogel zelf maar over zijn gastheren: op Puerto Rico is de parasitering een van de oorzaken van de achteruitgang van de geelschoudertroepiaal, en in Zuid-Amerika is de bedreigde bleekkopstruikgors om dezelfde reden achteruitgegaan. Waar wordt ingegrepen, gebeurt dat door koevogels bij kolonies van bedreigde gastheren weg te vangen.

Wetenschappelijke naam

Molothrus bonariensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tanagra bonariensis; omdat ze later in Molothrus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Molothrus werd in 1832 door Swainson ingevoerd; de naam gaat terug op een Grieks woord voor 'indringer' of 'bedelaar', naar het broedparasitisme, en berust waarschijnlijk op een verschrijving. De soortnaam bonariensis betekent 'uit Buenos Aires', de plaats waar het beschreven exemplaar vandaan kwam.