Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Siberische strandloper

Siberische strandloper | Calidris acuminata

Sharp-tailed Sandpiper | Correlimos acuminado

De Siberische strandloper is een middelgrote strandloper met een roestbruine kruin, een brede witte wenkbrauwstreep en een ongestreepte, warm geelbruine borst. Hij broedt op de toendra tussen de Lena en de Kolyma en overwintert in Australië, maar de jonge vogels maken elk najaar eerst een omweg over westelijk Alaska. Daardoor is dit de enige Siberische strandloper die hier ieder jaar te verwachten is, en bijna altijd in jeugdkleed.

Siberische strandloper (Calidris acuminata)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een korte noot die eerst omhoog en dan weer omlaag gaat, vaak twee keer snel achter elkaar gegeven, wat hem een pratend karakter geeft. Het is een zachter en lager geluid dan het scherpe krrt van de gestreepte strandloper, en het is meestal het eerste wat een vogel in een groep verraadt. In de baltsvlucht boven de toendra brengt het mannetje een kort gorgelend geluid gevolgd door een sputterende triller. Bij het vertoon op de grond komen daar lage hoempende tonen en klikken bij, een combinatie die je bij een steltloper niet verwacht. In Alaska en verder zuidwaarts hoor je bijna alleen de roep.

Luister: ZangXC424284

Opname: Ukolov Ilya — CC BY-NC-SA 4.0 · Allaikhovsky District, Sakha Republic, Russian Federation · xeno-canto

Herkenning

De jonge vogel, de vorm die hier het meest wordt gezien, heeft een heldere roestbruine kruin, een brede witte wenkbrauwstreep, een witte oogring en een ongestreepte, warm oranjegele borst die naar de witte buik toe vervaagt. De bovenzijde is donker met brede roestbruine en witte veerzomen, die twee lichte strepen over de rug vormen. Volwassen vogels in broedkleed zijn zwaarder getekend: pijlpunten en V-vormige strepen lopen van de borst door over de flanken tot onder de staart. In winterkleed is de vogel grijzer en doffer, maar de roodbruine kruin en de lichte wenkbrauw blijven. De snavel is kort, licht gebogen en donker met een bleke basis; de poten zijn geelgroen. De Engelse en de wetenschappelijke naam slaan op de puntige buitenste staartpennen, die in de hand zichtbaar zijn en in het veld zelden.

Verwarrings­soorten

De gestreepte strandloper (Calidris melanotos) is de soort waar het om draait: die heeft een scherpe grens tussen de gestreepte borst en de witte buik, een doffer verenkleed en een langere snavel, terwijl de borst van de Siberische strandloper geleidelijk overloopt en warmer gekleurd is. De bonte strandloper (C. alpina) heeft een langere, aan de punt gebogen snavel en mist de roodbruine kruin. Een jonge kemphaan (C. pugnax) is groter, langer van poot en heeft twee witte ovalen naast de stuit. Kijk bij twijfel naar kruin, wenkbrauw en de overgang van borst naar buik, in die volgorde.

Leefgebied

Op doortrek zoekt hij ondiep water met korte of opkomende begroeiing, zoet, brak of zout: natte zeggeweiden op de kustvlakte, de randen van toendrapoelen, brakke lagunen en de bovenrand van wadplaten. Verder zuidwaarts komt hij op ondergelopen weiden, spaarbekkens, waterzuiveringsvijvers en rijstvelden terecht. Hij eet insecten en hun larven, slakken, kleine kreeftachtigen, wormen en zaden, die hij lopend oppikt en met ondiepe steken uit de modder haalt. Open slik zonder plantengroei en droge akkers gebruikt hij weinig. Broeden doet hij op natte laagarctische toendra met pollen zegge en veel water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied is klein en ligt in het noordoosten van Siberië, tussen de Lena en de Kolyma. Verreweg de meeste vogels overwinteren in Australië, met kleinere aantallen in Nieuw-Zeeland en op de eilanden daartussen. Volwassen vogels trekken in het najaar rechtstreeks door Oost-Azië, maar de jonge vogels vliegen eerst oostwaarts naar de kust van westelijk Alaska, eten zich daar in augustus tot oktober vet en steken dan in één keer de Grote Oceaan over. Dat verklaart waarom in Noord-Amerika bijna uitsluitend jonge vogels worden gezien, met een zwaartepunt op de delta van de Yukon en de Kuskokwim en langs de Beringzeekust, en waarom er elk najaar ook kleine aantallen tot in Washington, Oregon en Californië doorlopen. In het voorjaar is hij hier zeldzaam.

Waar en wanneer kijken

September is de maand: zoek op een natte kustweide of langs een lagune in westelijk Alaska, of verder zuidwaarts op een ondergelopen weiland aan de kust, tussen gestreepte strandlopers. Zoek de vogel met de roestbruine pet en de warm oranjegele borst zonder strepen; hij valt in een grijze groep meteen op als het licht meezit. Kijk in oktober ook nog eens naar late gestreepte strandlopers, want de laatste vogels komen dan pas door.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (VU). De broedpopulatie wordt op 60.000 tot 120.000 vogels geschat, met ongeveer 73.000 als beste schatting, en de tellingen in Australië, waar negen van de tien vogels overwinteren, wijzen op een daling van ongeveer 45 procent in vijftien jaar. Verlies en vervuiling van wadplaten langs de trekweg door Oost-Azië, en veranderingen in de watervoorziening van de Australische binnenlandse moerassen, worden als de belangrijkste oorzaken genoemd. Voor Noord-Amerika betekent dat vooral dat er van jaar tot jaar minder jonge vogels in Alaska zijn te verwachten.

Wetenschappelijke naam

Calidris acuminata | (Horsfield, 1821)

Thomas Horsfield beschreef de soort in 1821 als Totanus acuminatus, naar een op Java verzamelde vogel; sinds ze in het geslacht Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. acuminatus is Latijn voor 'spits toelopend', van acumen, 'punt', naar de smalle puntige buitenste staartpennen waaraan de soort ook zijn Engelse naam dankt. De typelocatie is niet nauwkeuriger opgegeven dan Java, ver buiten het broedgebied. De beschrijving staat in het dertiende deel van de Transactions of the Linnean Society of London, op dezelfde bladzijde als die van de grote kanoet. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam van een grijs gespikkelde vogel van de waterkant.