Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Terekruiter
Terekruiter | Xenus cinereus
Terek Sandpiper | Andarríos del Terek
Een grijze steltloper met korte oranjegele poten en een lange, duidelijk naar boven gebogen snavel, die over het slik rent in plaats van te stappen. In Noord-Amerika is hij een gast uit Siberië: bijna elk jaar duiken er enkele op langs de westrand van Alaska, met een piek in de eerste dagen van juni en opnieuw eind augustus. Zijn naam komt van de Terek, de rivier die bij de Kaspische Zee uitmondt en waar het eerst beschreven exemplaar vandaan kwam.
Geluid
De roep is een snelle reeks heldere fluittonen, wit-wit-wit-wit, licht stijgend in toonhoogte en meestal gegeven op het moment dat de vogel opvliegt. Daarnaast klinkt een rollend, trillend geluid dat aan een fluitje doet denken en dat ook tussen foeragerende vogels wordt gehoord. In het broedgebied draagt het mannetje een ratelend zangetje voor tijdens een lage vlucht boven de rivieroever, met korte glijstukken op stijve vleugels. Op de eilanden voor Alaska hoor je in de regel alleen de vluchtroep, en vaak pas als de vogel al is opgegaan.
Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · Jiuduansha Wetland National Nature Reserve, Shanghai, China · xeno-canto
Herkenning
Egaal grijs op kop, rug en borst, wit op buik en onderstaart, met een korte lichte wenkbrauwstreep die niet altijd goed is te zien. De snavel is lang en zichtbaar omhoog gebogen, zwart met een gele of oranjeachtige basis; de poten zijn kort en helder oranjegeel, wat bij een verder grijze vogel op afstand al oplicht. In broedkleed lopen twee zwarte strepen over de schouders, gevormd door donkere schachten in de schouderveren. In de vlucht is er geen witte vleugelstreep maar een brede witte achterrand langs de arm, en de vogel oogt kortstaartig en langvleugelig. Hij loopt gebogen en snel, met plotselinge uitvallen achter krabben en wormen aan, en wipt daarbij niet met het achterlijf. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels hebben lichte randjes aan de vleugeldekveren en missen de zwarte schouderstrepen.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse oeverloper (Actitis macularius) en de oeverloper (Actitis hypoleucos) zijn ongeveer even groot en even grijsbruin, maar hebben een rechte snavel, wippen voortdurend met het achterlijf en tonen in de vlucht een witte streep óver de vleugel in plaats van een witte achterrand. De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes) heeft veel langere gele poten, een rechte snavel en een wit stuitvlak. De bonte strandloper (Calidris alpina) heeft een snavel die juist naar beneden buigt en zwarte poten. Krult bij een grijze steltloper de snavel omhoog en lichten de poten oranje op, dan blijft er niets anders over.
Leefgebied
In Noord-Amerika staat hij op zandstranden, langs de randen van lagunes en zoutmeertjes en op het slik van beek- en riviermondingen; op de Pribilofeilanden gaat het bijna altijd om de kust of de rand van de lagune. In het overwinteringsgebied zoekt hij brede getijdenplaten en mangroverandjes op, waar hij tussen andere steltlopers door rent. Het broedgebied ziet er anders uit: zand- en grindbanken langs rivieren in de taiga en op de zuidelijke toendra, met wilgenopslag erlangs. Droog open terrein en steile rotskusten gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt langs de rivieren van Noord-Eurazië, van Finland oostwaarts tot de Kolyma en Tsjoekotka, en overwintert langs tropische kusten van Oost-Afrika en Zuid-Azië tot Taiwan en Noord-Australië. In Noord-Amerika verschijnt hij bijna jaarlijks in kleine aantallen op de Pribilofeilanden, de westelijke Aleoeten en de eilanden in de Beringzee. De waarnemingen liggen in twee vensters: eind mei en de eerste week van juni, en de laatste week van augustus, wanneer jonge vogels wegtrekken; vogels in juli zijn meestal volwassen exemplaren die het broedgebied al hebben verlaten. Van het vasteland van Noord-Amerika zijn maar enkele gevallen bekend. Het aantal Alaskaanse waarnemingen is de laatste decennia toegenomen, deels doordat er meer mensen op die eilanden kijken.
Waar en wanneer kijken
De beste kans is St. Paul of Attu in de eerste dagen van juni, na een periode met wind uit het westen. Loop de randen van de lagunes en de stranden af en let op een grijze vogel die tussen de andere steltlopers door rent in plaats van er tussen te stappen; de opgewipte snavel is op grote afstand al te zien. Vliegt hij op, kijk dan naar de brede witte achterrand van de vleugel — dat sluit de twee oeverlopers meteen uit.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie telt enkele honderdduizenden vogels. De druk zit in het overwinteringsgebied: de getijdenplaten langs de Gele Zee en in Zuidoost-Azië worden ingepolderd, en die route gebruikt een groot deel van de oostelijke vogels. Voor Noord-Amerika valt er niets te beheren; hoeveel vogels hier belanden hangt af van de stand in Siberië.
Wetenschappelijke naam
Xenus cinereus | (Güldenstädt, 1775)
Güldenstädt beschreef de soort in 1775 als Scolopax cinerea, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xenus werd in 1829 ingevoerd door Kaup en gaat terug op het Griekse xenos, 'vreemdeling' of 'gast'. cinereus is Latijn voor 'asgrauw'. Het beschreven exemplaar kwam van de oevers van de Kaspische Zee bij de monding van de Terek; die rivier gaf de vogel zijn Nederlandse, Engelse en Spaanse naam.




