Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Townsends zanger
Townsends zanger | Setophaga townsendi
Townsend's Warbler | Reinita de Townsend
Townsends zanger broedt in het naaldbos van het noordwesten van Noord-Amerika, van Zuidoost-Alaska en Yukon tot Montana. Hij is aan de zwarte wangvlek op een geel gezicht te herkennen. Een deel van de populatie trekt naar de bergen van Mexico en Midden-Amerika, een ander deel overwintert langs de kust van Californië en Oregon, waar de soort ook in tuinen komt.
Geluid
De zang is een zoemende reeks, meestal vier of vijf gelijke zie-zie-zie-noten gevolgd door een of twee hogere slotnoten: wiezie-wiezie-wiezie-tswee. Het geluid lijkt op dat van de gele zwartkeelzanger, maar is voller en nadrukkelijker dan de dunne zang van de heremietzanger. De roep is een scherpe, vlakke tup; in de vlucht een hoge, korte tsip. Zingende mannetjes zitten hoog in de kroon van een oude conifeer.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Madera Canyon, Santa Cruz Co., Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een geel gezicht dat door een zwarte oorstreek in tweeën wordt gedeeld, met een gele halve maan eronder, en een zwarte kruin en keel. De borst is geel, de flanken wit met dikke zwarte streping; de rug is olijfgroen met zwarte streping en de vleugel draagt twee witte banden. Het vrouwtje heeft dezelfde tekening in gedempte vorm: de wangvlek is olijfgrijs in plaats van zwart en de keel is geel met hooguit wat donkere vlekjes. Ook jonge vogels in het najaar behouden de donkere wangvlek, wat de determinatie in het herfstkleed vergemakkelijkt.
Verwarringssoorten
De heremietzanger heeft een effen gele kop zonder wangvlek, een grijze rug en een witte borst; Townsends zanger heeft een olijfgroene rug en gele borst. Waar beide soorten elkaar in Washington en Noord-Oregon raken, komen hybriden voor met tussenvormen van wangvlek en borstkleur. De gele zwartkeelzanger heeft een geel gezicht zonder donkere wangvlek en witte onderdelen. Het herfstkleed van vrouwtjes en jonge vogels lijkt sterk op dat van andere soorten uit deze groep; de donkere driehoek op de wang blijft dan het betrouwbaarste kenmerk.
Leefgebied
Volgroeid naaldbos en gemengd bos, vooral oude opstanden van douglasspar, zilverspar en sitkaspar op berghellingen en langs de kust. Hij foerageert in de bovenste takken en pikt daar rupsen, bladluizen en bladwespen; ook nectar en bessen worden buiten het broedseizoen gegeten. In de winter zit hij in bergbos van den en eik in Mexico en Midden-Amerika, en in het noorden in kustbos, eikenbossen, parken en tuinen tot in de bebouwde kom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Zuidoost-Alaska en het zuiden van Yukon en de Northwest Territories door Brits-Columbia en West-Alberta tot Washington, Oregon, Idaho, Montana en Noordwest-Wyoming. De trek voert door het Grote Bekken en de bergen van Nevada, Utah, Colorado, Arizona en New Mexico. Overwinterd wordt in twee gescheiden gebieden: de kuststrook van Californië en de bergbossen van West- en Zuid-Mexico tot in Nicaragua. In de wintermaanden verschijnt hij daar in gemengde troepen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei en juni is de zang in de Cascades en de Rocky Mountains van Brits-Columbia de snelste ingang. Tussen november en maart geeft de kust van Centraal-Californië de beste kans op ooghoogte: hij bezoekt daar eucalyptus, cipressen en voedertafels. Kijk bij elke vogel naar het gezichtspatroon in plaats van naar de kleurintensiteit, want vrouwtjes en jonge vogels zijn veel fletser dan broedende mannetjes.
Staat van instandhouding
De soort staat bij de IUCN als niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 21 miljoen vogels en de score op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) op 12 van 20, wat als lage zorg geldt; tussen 1968 en 2015 was de trend stabiel tot licht dalend. Houtkap in oud naaldbos verkleint het broedhabitat en versnippering vergroot de kans op nestpredatie. Omdat de soort 's nachts trekt, vallen er slachtoffers door aanvaringen met gebouwen en masten.
Wetenschappelijke naam
Setophaga townsendi | (Townsend, 1837)
John Kirk Townsend beschreef de soort in 1837 als Sylvia townsendi; omdat ze later in Setophaga is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De naam eert Townsend zelf: Thomas Nuttall had hem voorgesteld, zodat Townsend de soort niet naar zichzelf hoefde te vernoemen. Het typeexemplaar kwam uit de bossen langs de Columbia, bij het huidige Fort Vancouver in Washington. Het geslacht Setophaga, in 1827 ingevoerd door William Swainson, komt van Grieks sēs 'mot' en -phagos 'etend'.




